Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 13

Overgangstoelage bij wegvallen/verminderen onregelmatige diensten

Onderdeel van Bezoldigingsregeling Alphen aan den Rijn 1997

1.. Aan de ambtenaar, die een toelage als bedoeld in artikel 11 en artikel 12 buiten zijn toedoen geheel of gedeeltelijk verliest, wordt een aflopende toelage toegekend, mits hij eerstgenoemde toelage(n) direct voorafgaande aan het tijdstip van geheel of gedeeltelijk verlies daarvan, gedurende tenminste 2 jaar zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten en de blijvende inkomstenvermindering tenminste 3% bedraagt van zijn bezoldiging met uitzondering van de in artikel 11 en artikel 12 genoemde toelagen bedraagt. Als berekeningsbasis voor de aflopende toelage geldt het bedrag dat de ambtenaar over 12 direct voorafgaande kalendermaanden gemiddeld per maand heeft genoten. 2.. Behalve op grond van het derde en vierde lid is de duur van de aflopende toelage gelijk aan het naar boven op een maand afgeronde één vierde gedeelte van de tijd, gedurende welke de in artikel 11 en artikel 12 bedoelde toelage werd genoten, dit met een maximum van 36 maanden. De aldus berekende uitkeringsperiode wordt in drie gelijke delen gesplitst, waarbij het eerste en eventueel het tweede en derde deel naar boven op een maand wordt afgrond. De vastgestelde totale duur van de eerdergenoemde uitkeringsperiode mag daarbij niet worden overschreden. Gedurende deze drie deelperioden bedraagt de toelage achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de voor de desbetreffende maand(en) van toepassing zijnde berekeningsbasis. 3.. De ambtenaar, die op het tijdstip van het buiten zijn toedoen blijvend wegvallen of verminderen van de in artikel 11 en artikel 12 bedoelde toelage, 62 jaar of ouder is en gedurende tenminste 10 jaar zonder wezenlijke onderbreking in het genot is geweest van deze toelage, ontvangt tot zijn ontslag een blijvende toelage van 100% van de inkomstenvermindering. Deze achteruitgang behoeft echter niet - zoals dat bij de aflopende toelage het geval is - minimaal een bepaald percentage van het salaris te bedragen. 4.. Het voor de ambtenaar op de dag voorafgaande aan zijn 62e verjaardag geldende bedrag van de (aflopende) toelage blijft gehandhaafd tot aan het tijdstip waarop hij de dienst verlaat, mits wordt voldaan aan de voorwaarde dat de in artikel 11 en artikel 12 bedoelde toelage onmiddellijk vóór de aanvang van de aflopende toelage tenminste 10 jaar zonder wezenlijke onderbreking werd genoten. 5.. De in dit artikel genoemde aflopende toelage of blijvende toelage wordt verminderd met het bedrag dat - na het in het eerste lid bedoelde tijdstip - in totaal per maand wordt genoten aan toelage en aan verhogingen van het salaris, anders dan algemene salarisverhogingen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel