In dit statuut wordt verstaan onder:
Derivaten: verhandelbare contracten met als onderliggende waarde een geldlening (of belegging). Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren.
Financiering: het inzetten van eigen vermogen of het aantrekken van benodigde financiële middelen op de geld- en kapitaalmarkt.
Geldstromenbeheer: het managen van de geldstromen, zowel binnen de gemeente als tussen de gemeente en derden (betalingsverkeer).
Liquiditeitenbeheer: het aantrekken en uitzetten van liquide middelen.
Liquiditeitenplanning: een gestructureerd overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld per tijdseenheid.
Onderhandse geldlening: lening, waarbij de voorwaarden van de lening in onderling overleg met de geld gevende partij worden vastgesteld.
Rating: de inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen bij toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op schuldpapier.
Renterisico: het risico van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten door rentewijzigingen.
Rentevisie: toekomstverwachting over de renteontwikkeling.
Schatkistbankieren: het door de decentrale overheden verplicht aanhouden van (tijdelijk) overtollige middelen in de schatkist bij het Agentschap van het Ministerie van Financiën.
Treasuryfunctie: De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. De treasuryfunctie bestaat uit vier deelfuncties: risicobeheer, gemeentefinanciering, kasbeheer en debiteuren- en crediteurenbeheer.
Uitzetting: Het beheren van eigen vermogen en andere financiële middelen voor een periode langer dan één jaar.
HOOFDSTUK 1
Artikel 1