1 De direct leidinggevende stelt concept-praktijkfuncties samen en bepaalt in voorkomend geval de verhouding en de omvang van de verschillende taakmodulen in de praktijkfunctie.

2 Bij clustering van de taakmodulen tot praktijkfuncties worden de volgende richtlijnen in acht genomen:

a de taakmodulen liggen qua inhoud, functie-eisen en functiecompetenties in elkaars verlengde en zijn in gezamenlijkheid reëel;

b een praktijkfunctie bestaat uit maximaal 5 taakmodulen;

c de door clustering van taakmodulen ontstane praktijkfunctie dient, onvoorziene omstandigheden daargelaten, voor minimaal één jaar haar geldigheid te kunnen bewaren.

3 De direct leidinggevende bespreekt de concept-praktijkfunctie alsmede in voorkomend geval de verhouding en omvang van de taakmodulen met de betrokken ambtenaar en past deze zonodig aan.

4 De direct leidinggevende legt de concept-praktijkfunctie voor aan het hoofd van dienst, tezamen met de eventuele schriftelijke opmerkingen van de betrokken ambtenaar.

5 Burgemeester en wethouders stellen de samenstelling en waardering van de praktijkfunctie vast.

6 De waardering van de praktijkfunctie wordt bepaald door de hoogst gewaardeerde taakmodule(n) van de taakmodulen die gezamenlijk de praktijkfunctie vormen, mits deze minimaal 25% van de praktijkfunctie omvat(ten).

7 Voor gevallen waarin het zesde lid niet voorziet of tot onbillijkheden leidt, wordt de waardering van de praktijkfunctie voor advies aan de functiewaarderings-commissie voorgelegd.

8 De vastgestelde praktijkfunctie en de waardering daarvan worden aan de ambtenaar bekendgemaakt.