De basisaanpak is beschreven in de vorige paragraaf. Voor de diverse taakvelden kan deze aanpak nader worden uitgewerkt.
Bouwen/slopen/overige Wabo-activiteiten
Veelal gaat het binnen dit taakveld om vergunningsplichtige activiteiten. Als geen vergunning is aangevraagd en verkregen, wordt direct handhavend opgetreden. Dit handhaven kan bestaan uit het stilleggen/stopzetten van de activiteiten/werkzaamheden. Het onderzoek tot legalisering met een vergunning is vervolgens het uitgangspunt.
Als alsnog een vergunning is verleend (legalisatie), kunnen de activiteiten c.q. werkzaamheden worden hervat. Wanneer legalisatie niet mogelijk is, is bijsturing of het ongedaan maken van de overtreding wenselijk door middel van sancties. Herstel in de oude situatie is dan het uitgangspunt.
Slecht naleefgedrag wordt nimmer ‘beloond’. Legalisatiemogelijkheden worden kritisch bezien. Reeds gerealiseerde bouwwerken worden dus niet soepeler getoetst omdat ze anders afgebroken moeten worden.
Bij de activiteiten bouwen, verbouwen en slopen is toezicht mogelijk tijdens de werkzaamheden. Daarbij kunnen controles zowel aangekondigd als onaangekondigd plaatsvinden. De frequentie waarop toezicht wordt gehouden wordt afgestemd op de aard/complexiteit van het bouwwerk/de activiteit.
Hierbij dient te worden opmerkt dat door de invoering van de Wet Kwaliteitsborging voor Bouwen (Wkb), die naar verwachting medio 2022 in werking treedt, een wijziging in het bouwtoezicht gaat plaatsvinden.
Het bouwproces wordt als het ware in tweeën opgeknipt:
De ruimtelijke component (toets aan omgevingsplan en -veiligheid): deze loopt via de gemeente.
De bouwtechnische component: hiervoor wordt de papieren toets op het bouwplan vooraf vervangen door toetsing in de praktijk op het bouwwerk zoals gebouwd. De vergunninghouder wordt verplicht een onafhankelijke kwaliteitsborger in te schakelen die tijdens de bouw toetst op conformiteit met de bouwtechnische voorschriften uit het Bouwbesluit en verklaart of de getoetste onderdelen aan de voorschriften voldoen. Dit wordt bij private partijen belegd. Het bouw- en woningtoezicht, zoals gemeenten dat nu uitvoeren, wordt een taak van marktpartijen. Een verklaring van de kwaliteitsborger zal bij oplevering voorwaarde zijn voor ingebruikname.
De gemeente blijft verantwoordelijk voor het toezicht op de bestaande bouw en omgevingsveiligheid en het college van B&W blijft het bevoegd gezag. De vergunninghouder legt inhoudelijk verantwoording af aan het bevoegd gezag. Dit doet hij door middel van een risicobeoordeling vóór de aanvang van de bouw. Ook dient er ten behoeve van de gemeente een zogenaamde ‘dossier bevoegd gezag’ bijgehouden te worden door de vergunninghouder en na afloop van het bouwtraject aan de gemeente te worden overhandigd. De risicobeoordeling kan door het bevoegd gezag worden gebruikt om zijn handhavende taak van waarnemen, beoordelen en interveniëren vooraf inhoud en richting te geven. Voor zijn handhavende taak kan het bevoegd gezag, als hij daarvoor in specifieke gevallen aanleiding ziet op basis van deze risicoanalyse en het bijbehorende borgingsplan, tijdens de bouw informatiemomenten en stopmomenten aan de vergunninghouder opleggen.
De exacte impact van de Wkb is op dit moment nog niet duidelijk. Het zelfde geldt voor de nog te maken keuzes in het omgevingsplan onder de Omgevingswet. Wanneer een aantal vergunningplichten worden omgezet tot meldingen, of helemaal worden losgelaten (mits wordt voldaan aan algemene regels), dienen deze achteraf te worden gecontroleerd. Het VTH-beleidsveld is de komende jaren dus nog in volle ontwikkeling en daarom moet periodiek worden geëvalueerd of bijstelling met betrekking tot toezicht- en handhavingstaken nodig is.
Ruimtelijke ordening
De handhavingstrategie bij dit taakveld ziet grotendeels op overtredingen van de regels van het bestemmingsplan ten aanzien van de gebruiks- en bouwmogelijkheden (bijvoorbeeld afwijkend gebruik of overschrijding bouwvlak). Wanneer overtredingen worden geconstateerd, is de algemene lijn dat wordt onderzocht of legalisatie achteraf tot de mogelijkheden behoort. Wanneer wordt afgeweken van het geldende planologische kader (omgevingsplan), biedt de omgevingsvisie bij deze beoordeling houvast om de mogelijkheid tot legalisatie te bezien Als deze mogelijkheid er niet is, dient de overtreding te worden beëindigd. In de praktijk betekent dit dat de strijdigheid met het bestemmingsplan moet worden gestopt of het bouwwerk (gedeeltelijk) moet worden afgebroken. De instrumenten dwangsom en bestuursdwang worden hierbij ingezet.
In de omgevingsvisie worden de groene leefomgeving en de aanwezige natuurwaarden in het buitengebied aangemerkt als bijzondere kernkwaliteit van onze gemeente. De nalevingsstrategie richt zich hier met name op strikte toepassing van regelgeving aan de toegekende waarden aan het buitengebied. Er wordt streng opgetreden tegen illegale activiteiten. Indien deze alsnog gelegaliseerd zouden kunnen worden, vindt er een rigide toetsing plaats door de welstandscommissie. Aan dit advies wordt bijzonder veel gewicht toegekend, ook als de activiteiten een maatschappelijk of ecologisch doel dienen (bijvoorbeeld verduurzaming).
Plannen die alleen onder de strikte voorwaarde van landschappelijke inpassing worden vergund, verdienen eveneens aandacht bij controle op de naleving daarvan.
Milieu (niet-basistaken)
In het Uniform Uitvoerings- en Handhavingsbeleid Zuid Limburg (UUH-ZL), welk naar verwachting medio 2022 zal worden vastgesteld, wordt de toezicht- en handhavingsstrategie van basistaken bij de RUD Zuid-Limburg (RUDZL) bepaald. De basistaken zijn de milieutaken van gemeenten met een bovenlokale dimensie die op regionaal niveau uitgevoerd moeten worden, taken die zeer complex zijn en provinciale milieu- en bouwtaken. Onderhavige nota ziet niet op deze taken. Er zijn echter ook taken die de RUDZL namens de gemeente Stein uitvoert die geen basistaken betreffen, de zogenaamde plustaken, thuistaken en adviseringstaken. Ten aanzien van deze taken wordt het nieuwe UUH-ZL beleid mede van toepassing verklaard om op die wijze een zo uniform mogelijke werkwijze voor de RUDZL vast te stellen. Dit laat echter onverlet dat de gemeente Stein zijn eigen autonomie heeft voor wat betreft de taken VTH. Wij kunnen aanvullend op het UUH-ZL bestuurlijke prioriteiten door de RUDZL laten uitvoeren. De resultaten van de bestuurlijke prioriteiten worden opgenomen in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma en de daaruit voortkomende jaaropdracht aan de RUDZL.
De navolgende missie van het UUH-ZL sluit aan bij onze gemeente visie: “Wij werken samen met onze partners aan het beschermen en de totstandkoming van een veilige leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit”. In de oprichtingsfase van de RUDZL hebben wij gezamenlijk een visie geformuleerd omtrent de uit te voeren VTH-taken door deze dienst. Kwaliteit staat centraal en de RUDZL werkt continu aan het verbeteren van de dienstverlening, waarbij ze aansluiten bij de principes omtrent dienstverlening van de Omgevingswet. Deze visie is eveneens als uitgangspunt gehanteerd voor het Zuid-Limburgse uniforme VTH-beleid: “Wij staan voor het bieden van een meerwaarde door bundeling van specialistische kennis, een goede kennis van de lokale situatie, een efficiënte bedrijfsvoering en continuïteit van dienstverlening”.
Monumenten/erfgoed
De nota Erfgoedbeleid Stein is op 21 maart 2019 vastgesteld door de raad. De gemeente heeft dit beleid vervolgens voor het gehele grondgebied planologisch verankerd middels de vaststelling van een overkoepelend, gemeentebreed bestemmingsplan voor de bescherming van het erfgoed (bestemmingsplan Erfgoed Stein d.d. 22 juli 2021). In het bestemmingsplan is het beschermde erfgoed opgenomen door middel van dubbelbestemmingen, waarbij aan elke dubbelbestemming regels zijn gekoppeld die gericht zijn op het planologisch waarborgen van de bescherming van het erfgoed. Zo gelden er in veel gevallen aanvullende regels voor het bouwen van bouwwerken en het uitvoeren van werkzaamheden, in aanvulling op de bouwregels binnen de geldende bestemmingsplannen. Daarnaast gelden bij deze vergunningaanvragen ook de nodige onderzoeksverplichtingen, zoals een archeologische onderzoeksplicht of een onderzoek naar de bouwhistorische waarde van een gebouw.
De nalevingsstrategie binnen dit taakveld richt zich met name op strikte toepassing van regelgeving die de toegekende waarden aan (bouw)werken beschermen. Er wordt streng opgetreden tegen illegale activiteiten. Indien deze alsnog gelegaliseerd zouden kunnen worden, vindt er een rigide toetsing plaats door de welstand- c.q. erfgoedcommissie. Aan dit advies wordt bijzonder veel gewicht toegekend, ook als de activiteiten een maatschappelijk of ecologisch doel dienen (bijvoorbeeld verduurzaming).
Brandveilig gebruik
Het toezicht op het brandveilig gebruik wordt uitgevoerd door de gemeente. In bepaalde gevallen kan een beroep worden gedaan op de expertise aanwezig bij de brandweer.
De frequentie waarop toezicht wordt uitgeoefend wordt afgestemd op de risicoanalyse.
De overtredingen op het gebied van brandveiligheid kunnen in 3 categorieën worden onderverdeeld:
Kleine gebreken/laag risico:
De eigenaar/beheerder wordt mondeling gewezen op de tekortkoming. In deze situaties wordt een beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van de overtreder om de tekortkomingen te herstellen.
Middelzware gebreken/matig risico:
Deze tekortkomingen moeten hersteld worden. Hiervoor wordt aan de eigenaar/beheerder een termijn gesteld om de tekortkoming te herstellen. Na verloop van deze termijn vindt een hercontrole plaats.
Ernstige gebreken/hoog risico:
Als gebruikers van een pand direct gevaar lopen, is sprake van een levensbedreigende situatie. In deze gevallen is onmiddellijk optreden vereist. In deze gevallen kan een bevel tot ontruiming/(tijdelijke) sluiting worden gegeven, tot het moment waarop weer voldaan wordt aan de gestelde eisen.
Alcoholwet
De Drank- en Horecawet is per 1 juli 2021 vervangen door de Alcoholwet. De nieuwe wet bevat ten opzichte van de Drank- en Horecawet een aantal nieuwe onderdelen die gemeenten bij verordening kunnen regelen (bijvoorbeeld het verhogen van de minimale vloeroppervlakte-eisen voor horeca en slijterijen, het mogelijk maken voor slijters om proeverijen te organiseren, het eisen van de aanwezigheid van iemand met een diploma sociale hygiëne op een vervoermiddel waar bedrijfsmatig alcohol wordt geschonken (zoals een bierfiets) en het aanwijzen van een alcoholoverlastgebied bij ernstige overlast of verstoring van de openbare orde). Vooralsnog brengt de Alcoholwet geen wijzigingen in de wijze waarop wij toezicht houden en handhavend optreden in de horeca. Een deel van de handhavingstaken is neergelegd bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Indien wij zaken signaleren die niet tot onze bevoegdheid behoren, zullen wij deze actief melden bij de NVWA.
In het kader van het recent vastgestelde ‘Preventie- en Handhavingsplan Jeugd en Alcohol” wordt meer prioriteit toegekend aan de controle op het verstrekken van alcohol aan jeugdigen. De nadruk ligt in dit beleid echter bij preventieprogramma’s. Handhavingsmaatregelen zijn aanvullend op deze preventiemaatregelen.
De handhavingsstrategie heeft betrekking op toezicht bij horecagelegenheden en tijdens evenementen:
Horeca: Bij een eerste overtreding maakt de toezichthouder een rapport op en wordt de exploitant hierop direct aangesproken door de toezichthouder. Er volgt een constateringsbrief van de gemeente. Bij een tweede overtreding spreekt de toezichthouder de exploitant direct aan en zegt tevens een rapport aan. Aan de hand van dit rapport wordt tegen de exploitant of overtreder een bestuursrechtelijk handhavingstraject opgestart. Een bestuursrechtelijk handhavingstraject is bijvoorbeeld het opleggen van een last onder dwangsom of het toepassen van een last onder bestuursdwang. Op basis van de Alcoholwet kunnen boa’s ook strafrechtelijk optreden. In een aantal gevallen is een strafrechtelijk optreden een efficiënter instrument. Een constatering van het nuttigen of in bezit hebben van alcohol onder de 18 jaar kan leiden tot een Halt-verwijzing. Door de boa’s van gemeenten en politie vinden Halt verwijzingen plaats.
Evenementen: Gemeenten streven naar evenementen die veilig en gezond verlopen zonder incidenten met alcohol, drugs, geweld of overlast. Risico’s door alcohol- en drugsgebruik moeten zoveel mogelijk worden beperkt door de inzet van maatregelen en interventies die vooraf, tijdens of na het evenement kunnen worden ingezet. Het toezicht op het evenemententerrein ligt primair bij de organisator. Deze kan zich laten bijstaan door gecertificeerde beveiligingsbedrijven die over een zogenaamde ND-vergunning beschikken en voldoen aan het keurmerk “Evenementenbeveiliging”. De boa’s (en in mindere mate de politie) zien erop toe dat de organisator de vergunningsvoorwaarden en de Alcoholwet naleeft. Het constateren door een boa van het nuttigen van alcohol onder de 18 jaar kan leiden tot een Halt-verwijzing. Bij evenementen geldt een veiligheidsplan. In het veiligheidsplan is de leidraad “Alcohol en drugs bij evenementen” van het Trimbos Instituut opgenomen. In deze leidraad staan maatregelen die ingezet kunnen worden om ervoor te zorgen dat:
De Alcoholwet en de Opiumwet nageleefd en gehandhaafd worden;
De gezondheid- en veiligheidsrisico’s door of als gevolg van (overmatig) alcohol- en drugsgebruik op evenementen voorkomen kunnen worden.
APV en bijzondere wetten
Het taakveld APV en bijzondere wetten bevat een grote hoeveelheid aan activiteiten. Een aantal van deze activiteiten is aan een vergunning/ontheffing gebonden (bijvoorbeeld evenementen). Andere activiteiten zijn alleen op bepaalde tijdstippen of in bepaalde gebieden verboden (bijvoorbeeld sluitingstijden horeca en hondenpoep). Hierdoor varieert de vorm van het toezicht van aangekondigde controles tot algemene surveillance. Omdat het meestal gaat om kortdurende activiteiten wordt veelal direct handhavend opgetreden. Hierbij wordt uitgegaan van de eerder omschreven basisaanpak.
Hoofdstuk 8 › Paragraaf 8.2
Artikel 8.2.4
Uitwerking van de strategie per taakveld
Onderdeel van Vergunningen, Toezicht & Handhaving VTH-Beleidsplan 2022-2026