Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.

Artikel 15.

Spreekrecht burgers

Onderdeel van Besluit van de raad tot vaststelling van een nieuwe Verordening op de raadscommissies

1.. Burgers kunnen in een vergadering het woord voeren over inhoudelijke onderwerpen die geagendeerd zijn. 2.. Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit tenminste 24 uur voor aanvang van de vergadering aan de griffier onder vermelding van zijn naam en bereikbaarheidsgegevens en het onderwerp waarover hij het woord wenst te voeren. 3.. De commissievoorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding, tenzij afwijking van die volgorde in het belang is van de orde van de vergadering. 4.. De inspreker voert maximaal vijf minuten het woord, nadat de commissievoorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter kan in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd. 5.. De commissievoorzitter kan de deelnemers aan de vergadering toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te stellen. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers van de vergadering. 6.. De inspreker krijgt na de eerste bestuurlijke termijn van beraadslaging desgewenst kort de tijd om te reageren op de inbreng van commissieleden en collegeleden over het onderwerp. 7.. De commissievoorzitter of een commissielid doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de inspreker.

Rechtspraak bij dit artikel