Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Vooroverleg en advisering

Onderdeel van Verordening op de Omgevingscommissie MER 2016

1.. Ter voorbereiding van een bouwinitiatief kan de aanvrager of diens vertegenwoordiger de commissie vragen om, voorafgaande aan een definitieve omgevingsvergunningaanvraag, in het kader van een vooroverleg, de behandeling van een plan ter hand te nemen, met het doel om in een vroegtijdig stadium een indruk te verkrijgen over de beoordeling, de beoordelingsruimte en de van belang zijnde toetsingscriteria. 2.. Het advies van de commissie geeft aan of een ontwerp op zichzelf en in verband met de omgeving of met het oog op de te verwachten ontwikkelingen in strijd is met de redelijke eisen van welstand, met de monumentale waarden of de monumentale context en met het kwaliteitsmenu. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de hiervoor geldende criteria, neergelegd in de in artikel 6 bedoelde wetten, algemeen verbindende voorschriften, verordeningen en beleidsregels. 3.. De commissie vraagt bij ingrijpende monumentenplannen, daar waar zij de nodige kaders en handvatten voor een onderbouwde advisering mist, om een waardenstellend en bouwhistorisch onderzoek. 4.. Het welstandsadvies, monumentenadvies en advies betreffende de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit wordt schriftelijk uitgebracht en met redenen omkleed. 5.. De advisering is niet gericht op aangelegenheden die buiten de beoordelingskaders liggen van het welstandstoezicht, de monumentenzorg en het gemeentelijk kwaliteitsmenu. 6.. Het welstandsadvies, monumentenadvies en advies betreffende de ruimtelijke kwaliteit kan worden gecombineerd met suggesties voor het beleid en de procedurele gang van zaken, die naar de mening van de commissie van belang zijn. 7.. Het welstandsadvies, monumentenadvies en advies betreffende het gemeentelijk kwaliteitsmenu wordt zodanig geformuleerd, dat de aanvrager en diens vertegenwoordigers zich niet in de goede eer aangetast kunnen voelen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel