Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 1

Artikel 1

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Bomenverordening gemeente Utrechtse Heuvelrug 2022

In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 4.1, sub a, van de Wet natuurbescherming; berk: bedoeld wordt de boomsoort Ruwe berk (Betula pendula); bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), voor de activiteit (doen) vellen van houtopstanden. bomen effect analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen zoals die door de Bomenstichting en CROW, het onafhankelijk kenniscentrum voor infrastructuur, openbare ruimte en verkeer en vervoer, zijn opgesteld; boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsstamomtrek van minimaal 94 centimeter (stamdiameter 30 cm) op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de omtrek van de dikste stam. In het kader van een herplant - of instandhoudingsplicht als bedoeld in de artikelen 7 en 8, kunnen voorschriften gesteld en maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan een stamomtrek van 94 centimeter (stamdiameter 30 cm) op 1,3 meter boven het maaiveld; boomwaarde: de monetaire waarde van een boom, zoals getaxeerd volgens de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen en houtige gewassen (NVTB); conifeer: bedoeld worden de soorten van het geslacht Thuja en Chamaecyparis zoals de Californische - of Lawsoncypres (Chamaecyparislawsoniana) en de Westerse levensboom (Thuja occidentalis); dunning: velling in bossen en tuinen met een boskarakter, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd; erf: een perceel of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen om een gebouw (een woning of bedrijf) en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw. In het geval van een toegangsweg naar het gebouw is deze geen onderdeel van het erf; herplantfonds: door de gemeente beheerd fonds waarin financiële compensatie voor herplant wordt gestort. De middelen in het fonds worden strikt gebruikt voor herplant; hinderlijke overlast: het begrip hinderlijke overlast heeft meerdere betekenissen. In ieder geval wordt onder hinderlijk verstaan: belemmerend, lastig, storend, ergernis opwekkend en irritant of onrechtmatige hinder. Niet elke vorm en mate van hinder is een reden tot het vellen van een houtopstand; houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen; een struweel of heg, met de onder sub e genoemde minimale stamomtrek; (lint) begroeiing: begroeiing bestaande uit heesters, struiken, bomen (bijvoorbeeld hagen en heggen) met een minimale breedte van 0,75 meter en een minimale hoogte van 1,30 meter; bosplantsoen: aanplant van jong bos, bestaande uit hoofdzakelijk heesters, struiken en boomvormers; hakhout: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; heg: een lintvormige aanplant van heesters of struiken, al dan niet in een vorm gesnoeid, met een minimale lengte van 3 meter; houtwal: lijnvormige bosaanplant, hoofdzakelijk bestaande uit inheemse heesters, struiken en boomvormers; struweel: een begroeiing van hoofdzakelijk inheemse soorten heesters en struiken. hoogstamfruitboom: fruitboom met een takvrije stam van minimaal 1,5 meter boven het maaiveld; kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van een houtopstand; kandelaberen: het tot op de hoofdtakken inkorten van een houtopstand; knotten: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen; omgevingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 2.2 van de Wabo; tuin: omheind of afgeperkt stuk grond, aangrenzend aan een (woon)huis en dat is ingericht ten behoeve van het woongenot; vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de levende kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel