Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 1.

Artikel 1.

Onderdeel van Treasurystatuut Smallingerland 2022

In dit statuut wordt verstaan onder: Betalingsverkeer : De wijze waarop betalingen kunnen worden verricht en de daarbij behorende kostentarieven. Deposito : Het in bewaring geven van geld aan een bank voor een bepaalde vaste periode tegen een vast rentepercentage. Derivaten : Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. De onderliggende waarden kunnen financiële producten, zoals leningen of obligaties zijn waarvan de waarde afhankelijk is van onderliggende activa, referentieprijzen of indices. Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren. Drempelbedrag: Het maximale bedrag dat de gemeente over een heel kwartaal gezien gemiddeld op dag basis aan overtollige liquide middelen buiten de rijksschatkist mag houden. (Schatkistbankieren: positieve saldi Rekening-courant, ook wel overtollige kasgelden genoemd, moeten boven een bepaald drempelbedrag worden ondergebracht in de Rijksschatkist). Financiering: Het aantrekken van benodigde financiële middelen. Het betreft zowel kasgeld- als onderhandse leningen. Kasgeld: Aangetrokken financiële middelen met een looptijd van maximaal 1 jaar. Kasgeldlimiet: Een bedrag op basis van de Wet FIDO ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting bij aanvang van het jaar. Koersrisico: Het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen. Kredietrisico: De risico’s op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij als gevolg van bijvoorbeeld faillissement. Obligatie: Een verhandelbaar schuldbewijs voor een lening die door een overheid, een onderneming of een instelling is aangegaan. Als een bedrijf geld nodig heeft kan het door het uitgeven van een obligatielening aan de financiering komen. De koper van de obligatie ontvangt van de uitgever rentevergoeding. Onderhandse lening: Een lening met een looptijd van meer dan 1 jaar, waarbij een geldnemer geld leent van één of enkele geldgevers. Bij een onderhandse lening is sprake van direct contact tussen de geldlener en geldgever. De verschillende partijen maken zelf de afspraken. Publieke taak: Een taak die waarde creëert voor de gemeentelijke samenleving en waarin het private bedrijfsleven niet voorziet of slechts tegen bijzonder hoge kosten, waardoor deze niet of voor velen niet bereikbaar zou zijn. Rekening courant: Bankrekening waarop de gemeentelijke inkomsten en uitgaven worden geboekt. Met de huisbankier wordt een kredietmaximum overeengekomen ('roodstaan' in de volksmond). Renterisico: Het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten door rentewijzigingen. Renterisiconorm: Het maximumbedrag conform de wet FIDO waarover in enig jaar renterisico mag worden gelopen door aflossing en renteherziening gebaseerd op een wettelijk percentage van het begrotingstotaal. Rente typische looptijd: De looptijd waarvoor de rente vastligt. Richtlijn: Een bindend voorschrift c.q. aanwijzing van een te volgen handelwijze. Schatkistbankieren: Het aanhouden van overtollige liquide middelen in de schatkist van het Ministerie van Financiën. Schuldquote: Geeft de verhouding weer tussen de gemeentelijke netto schuldenlast in verhouding tot de gemeentelijke baten. Uitzetting: Het tijdelijk toevertrouwen van overtollige liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer. Valutarisico: Het risico dat financiële waarden aangehouden in vreemde valuta in waarde dalen door een daling van de wisselkoers van die vreemde valuta.

Rechtspraak bij dit artikel