In het vooroverleg over een milieuvergunningaanvraag die betrekking zal hebben op of mede betrekking zal hebben op een of meer bestaande bronnen binnen een inrichting geven Gedeputeerde Staten aan de hand van eigen wetenschap of waarneming, al dan niet in combinatie met klachten, aan of het aspect geur relevant is.
Indien Gedeputeerde Staten het geuraspect relevant achten, overlegt de indiener van de vergunningaanvraag op hun verzoek een geur-onderzoeksrapport bij zijn aanvraag.
Het geuronderzoek omvat een analyse van de geuremissie en de geurimmissie ten gevolge van die bronnen. De analyse wordt gemaakt met behulp van één van de kwantitatieve methoden, zoals beschreven in de NeR (uitgave september 2000, paragraaf 3.6.3).
Gedeputeerde Staten kunnen ten behoeve van de kwantitatieve analyse aangeven, welke deelonderzoeken daarvoor uitgevoerd worden. Daartoe kunnen behoren: emissiemetingen met verspreidingsberekening en een snuffelploegonderzoek, uitgevoerd volgens het Document Meten & Rekenen Geur, en een bepaling van de hedonische waarde van de geur door een panel.
Emissiemetingen en snuffelploegonderzoek worden uitgevoerd bij voor de jaarsituatie van de inrichting representatieve omstandigheden.
Het geur-onderzoeksrapport bevat een opsomming van de mogelijke maatregelen ter beperking van de geurimmissie, de effecten van elk van die maatregelen op de geurimmissie en de kosten van die maatregelen, en de eventuele neveneffecten van die maatregelen.
Artikel 2.1