In artikel 1 is de definitie van het begrip ‘motie’ gegeven. Een ‘motie’ is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke of procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom is het college formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken.
Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft (tweede lid).
Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats (derde lid). Meestal wordt een dergelijke motie aangeduid als een motie vreemd aan de orde of een motie buiten de orde van de dag. Alhoewel er vanuit principiële uitgangspunten geen beperkingen moeten en kunnen worden opgelegd aan het gebruik van dit instrument is het toch zinvol over het gebruik ervan een aantal aandachtpunten te benoemen. Moties buiten de orde zijn niet bedoeld om onderwerpen te agenderen die beter binnen de reguliere fasering in het besluitvormingsproces behandeld kunnen worden. Deze route is zorgvuldiger en geeft ook inwoners mogelijkheden in dit proces te participeren. In dat geval is een agenda-initiatief vaak meer op zijn plaats. Moties buiten de orde moeten vanuit welk perspectief dan ook, en dat is meestal een politiek perspectief een urgent karakter hebben.
Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad.
In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt, namelijk in artikel 49. Dit betreft de “motie van wantrouwen” waarbij de raad uitspreekt het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen.
Hoofdstuk 3.
Artikel 38.
Moties
Onderdeel van Reglement van Orde voor het Politiek Podium en andere werkzaamheden van de raad gemeente Leeuwarden 2021, eerste wijziging