1. Zowel het algemeen bestuur, als de raad en het college van burgemeester en wethouders in gezamenlijkheid, kunnen voorstellen doen tot opheffing van de regeling.
2. Het algemeen bestuur legt het voorstel tot opheffing ter beslissing voor aan de colleges van burgemeester en wethouders en de raden van de deelnemende gemeenten.
3. Opheffing van de regeling vindt plaats indien de raden en de colleges van burgemeester en wethouders, die tezamen twee derde van de aanwezige stemmen in het algemeen bestuur vertegenwoordigen, daartoe besluiten.
4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid, vindt opheffing van de regeling eveneens plaats indien een van de deelnemers uittredingsbesluiten neemt als bedoeld in artikel 40, lid 1 van de regeling en er door ten minste één ander college van de overige deelnemers, alsmede door de raad van diezelfde deelnemer, gedurende de effectueringsperiode van de eerst ontvangen uittredingsbesluiten, ook een besluit tot uittreding wordt genomen, danwel een besluit wordt genomen houdende een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling Avres. De besluiten tot uittreding van beide deelnemers, danwel de besluiten tot uittreding samen met de besluiten houdende een voorstel tot opheffing van de regeling worden alsdan beschouwd als besluiten tot opheffing. Een besluitvormingsproces als bedoeld in het derde lid blijft in dat geval achterwege.
5. Indien het algemeen bestuur binnen zes maanden na ontvangst van besluiten van een deelnemer houdende een voorstel tot opheffing van de regeling, van een andere deelnemer eveneens besluiten ontvangt houdende een voorstel tot opheffing van de regeling, worden deze besluiten alsdan beschouwd als besluiten tot opheffing. De besluitvormingsprocedure als bedoeld in het derde lid blijft in dat geval achterwege. Het algemeen bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk over de ontstane situatie.
6. Met in achtneming van het bepaalde in artikel 40, lid 4 van deze regeling, worden de procedure en nadere algemene uitgangspunten met betrekking tot de opheffing geregeld in een uittredings-/opheffingsregeling.
7. Ingeval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt het algemeen bestuur daartoe, met in achtneming van de bepalingen in de uittredingsregeling/opheffingsregeling, een concept-liquidatieplan op.
8. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, nadat de colleges en raden van de gemeenten gedurende twee maanden hun zienswijze op het concept-liquidatieplan hebben kunnen inbrengen, vastgesteld.
9. In de uittredings-/opheffingsregeling worden bepalingen opgenomen omtrent de vereffening van het vermogen ingeval de gemeenschappelijke regeling wordt ontbonden, evenals bepalingen omtrent de wijze waarop met de gevolgen voor het personeel bij opheffing wordt omgegaan, Daarnaast worden in de uittredings-/opheffingsregeling de overige onderwerpen benoemd die in ieder geval deel uitmaken van het liquidatieplan.
10. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie en treedt op als vereffenaar
11. Het bestuur van Avres blijft ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie volledig is voltooid.