Naar hoofdinhoud
1.. Onder inkomen van het huishouden wordt in ieder geval verstaan: inkomen uit arbeid; inkomen uit de eigen onderneming; inkomen uit een uitkering (Participatiewet, ANW, AOW, Appa); inkomen uit (onder)verhuur en/of kostgeverschap; inkomsten uit vermogen, zoals rente of dividend; inkomen uit periodieke giften; pensioen dat via de werkgever is opgebouwd en uitkeringen uit een lijfrenteproduct; Hiervan mag de aanvrager per maand in 2022 als alleenstaande € 21,50 of als gezamenlijke huishouding € 43,- aftrekken; inkomsten uit een PGB, voor zover de aanvrager dit ontvangt als vergoeding voor verrichte zorg; en inkomen uit partner- en/of kinderalimentatie. 2.. Middelen genoemd in artikel 31, tweede lid van de wet, worden in ieder geval niet als inkomen aangemerkt. 3.. Het inkomen wordt vastgesteld op basis van het feitelijk besteedbaar inkomen in geval één of meer van de volgende situaties van toepassing is: Wsnp; beslaglegging; minnelijke regeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; inhouding inzake een bestuursrechtelijke premie. 4.. Onder feitelijk besteedbaar inkomen als genoemd in het derde lid wordt verstaan het inkomen wat belanghebbende feitelijk te besteden heeft, na het voldoen van betalingen richting schuldeisers.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel