Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 13.

Jongeren

Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand 2021

1.. Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten van zelfstandig wonende jongeren van 18 tot 21 jaar kan worden verleend voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de geldende bijstandsnorm en in de hogere bestaanskosten niet kan worden voorzien door het delen van kosten met een ander, alsmede hiervoor de ouderlijke onderhoudsplicht niet te gelde kan worden gemaakt. 2.. De jongere als bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken als: de ouder(s) is/zijn overleden of in het buitenland woont/wonen; de jongere in het kader van de Wet op de jeugdzorg destijds buiten het gezin is geplaatst; de jongere op de ingangsdatum van de bijstandsverlening 12 maanden of langer zelfstandig woont; er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de minderjarige zelf geen verandering kan worden gebracht. 3.. Een aanvraag voor bijzondere bijstand als bedoeld in lid 1 wordt, analoog aan artikel 41, lid 4, van de wet, niet eerder ingediend dan vier weken na datum melding en wordt niet eerder dan vier weken na die melding in behandeling genomen. 4.. Indien is vastgesteld, dat er recht op bijzondere bijstand bestaat op grond van dit artikel wordt deze, analoog aan artikel 44, lid 1, van de wet, toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om deze bijstand aan te vragen. 5.. De noodzakelijke kosten van het bestaan van de zelfstandig wonende alleenstaande dan wel alleenstaande ouder van 18 tot 21 jaar zoals bedoeld in lid 1, worden gesteld op het normbedrag voor een persoon van 21 jaar exclusief vakantietoeslag in vergelijkbare omstandigheden. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen dit bedrag en de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 6.. De noodzakelijke kosten van het bestaan van de alleenstaande dan wel alleenstaande ouder van 18 tot 21 jaar die verblijft in een inrichting in de zin van artikel 1, sub f, van de wet, alsmede die zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken, worden gesteld op het normbedrag als bedoeld in artikel 23, lid 1, sub a, van de wet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel