Zandwegen zijn vanwege hun erftoegangsfunctie en het ontbreken van oppervlakteverharding bedoeld om met lage snelheid te worden bereden. Er komen kuilen en gaten in voor, in natte tijden kan er sprake zijn van modder en in droge tijden van stof. Dit bepaalt de karakteristiek van zandwegen; zo zijn ze bedoeld en zo passen zij in hun natuurlijke omgeving. Bij een lage snelheid van het gemotoriseerde verkeer is er minder sprake van onveiligheid, overlast of kans op schade aan voertuigen. De snelheid kan ook laag zijn, omdat de afstanden tussen verharde wegen en bestemmingen aan zandwegen relatief kort zijn.
Het aanbrengen van gangbare snelheidsremmende maatregelen als drempels en plateaus zijn echter geen optie voor zandwegen, vanwege o.a. het ontbreken van verlichting langs zandwegen het ontbreken van een vaste ondergrond en het uitslijten net voor en na de maatregel. Versmallingen/ asverspringingen kunnen in sommige gevallen wel worden toegepast als snelheidsremmende maatregel. Bij deze maatregel is het belangrijk rekening te houden met de eventuele cultuurhistorische en landschappelijke waarde van de weg en omgeving. Echter het versmallen/ verspringen heeft alleen effect als voldoende tegemoet komend verkeer aanwezig is, wat vaak niet het geval is op een zandweg.
Een oplossing om de snelheid op zandwegen laag te houden kan ook gezocht worden in aanpassing van het onderhoudsschema. Naarmate een zandweg minder vlak en muller is zal de snelheid van het verkeer vanzelf afnemen. Daarbij mag het waarborgen van een voortdurende bereikbaarheid van bestemmingen niet uit het oog worden verloren.
Er zal ten aanzien van het onderhoud van zandwegen dus een goed evenwicht gezocht moeten worden tussen de staat van de weg en de bereikbaarheid, waarbij het streven gericht is op een goede bereikbaarheid met lage snelheid en niet op een zo optimaal mogelijke staat van de zandwegen.
Hoofdstuk 6. › Paragraaf 6.3
Artikel 6.3.6.
Snelheidsremmende maatregelen
Onderdeel van Nota Zandwegen