Het verharden, plaatselijk verharden of halfverharden van wegen of wegvakken is een maatregel waardoor het karakter van de zandweg wordt aangetast of zelfs geheel verdwijnt. Verharden doet afbreuk aan de cultuurhistorische, recreatieve, natuurlijke en landschappelijke waarden van zandwegen. Verharding gaat ten koste van de materialisering van de weg en daarmee van de afleesbaarheid van de geschiedenis van het landschap (cultuurhistorische waarde). Maar het heeft ook negatieve consequenties voor de landschappelijke, natuurlijke en recreatieve waarde van de weg.
ln specifieke situaties kan (gedeeltelijke) verharding echter noodzakelijk zijn om de bereikbaarheid te kunnen waarborgen. Uitgangspunt is dat steeds gekozen wordt voor een maatregel die effectief is, maar die de minste gevolgen heeft voor de aantasting van het landschap. Zo is het mogelijk een zandweg slechts plaatselijk te verharden of semi te verharden.
Bij het semi-verharden wordt het bestaande oppervlak van de zandweg via een bepaald procedé behandeld zodat een beter berijdbare weg ontstaat. De weg oogt enigszins als een zandweg en heeft min of meer de eigenschappen van een verharde weg. De effecten zijn afhankelijk van het gebruikte procedé. Hierbij zijn verschillende behandelings methoden mogelijk, tot nu toe hebben proeven met verschillende materialen niet geleid tot bevredigende resultaten.
Het plaatselijk verharden van weg- gedeeltes kan een alternatief zijn wanneer er sprake is van een plaatselijk probleem, zoals regelmatige wateroverlast.
Opgemerkt dient te worden dat verharden van zandwegen kan leiden tot toename van het aantal verkeersbewegingen en het rijden met hogere snelheden. Voor het verharden van zandwegen is ingevolge het 'Bestemmingsplan agrarisch buitengebied Ede' en 'Bestemmingsplan Natuurgebied Veluwe' altijd een aanlegvergunning nodig. Zie ook hoofdstuk 7.2 van deze nota.