Hieronder worden de voorwaarden genoemd die gelden bij het plaatsen van windmolens in Wageningen om de natuur zoveel mogelijk te beschermen.
Niet in broedgebieden of migratieroutes
Bij voorkeur worden er geen windmolens geplaats op belangrijke trekroutes, op routes die vogels of vleermuizen dagelijks afleggen tussen hun slaap- en foerageergebieden, direct langs bosranden en bomenlanen (waar vleermuizen vaak jagen), in natuurgebieden en in weidevogelgebieden en ganzen-rustgebieden. Ook mogen windmolens niet geplaatst worden in broedgebieden van bepaalde vogelsoorten zoals de wespendief.
Voorkomen van botsingen met gevleugelden
Daarnaast moeten windmolens op zo’n manier aangepast worden dat ze botsingen met vogels of vleermuizen voorkomen. Denk hierbij aan markeringen op de wieken die duidelijk zichtbaar zijn voor vogels of geluidssignalen voor vleermuizen. Daarnaast kan het draaipatroon van de molen afgestemd worden op activiteit gevleugelden. Er is gelukkig steeds meer mogelijk om de negatieve effecten die windmolens mogelijks hebben op fauna te voorkomen. Door in gebieden waar veel vleermuizen wonen molens ’s nachts stil te zetten wanneer de temperatuur hoger is dan 11,5°C en de windsnelheid lager dan 5 m/s kan de sterfte onder vleermuizen fors worden gereduceerd. Op deze momenten is de oogst van de windmolen relatief laag. Ook kan er op basis van trekvoorspellingen een windmolen tijdelijk stilgezet worden. De gemeente Wageningen stelt als randvoorwaarde dat voor het plaatsen van een windmolen onderzocht wordt welke mitigerende maatregels er genomen kunnen worden om sterfte van dieren nóg meer te voorkomen.
Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.3.
Artikel 3.3.2.
Zo min mogelijk overlast voor natuur
Onderdeel van Wageningse Windvisie