Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Gebruik mandaat

Onderdeel van Algemeen mandaatbesluit gemeente Hulst

1.. Bij de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in dit besluit, worden de specifieke bepalingen, zoals opgenomen in het register, in acht genomen. 2.. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt bij de uitoefening van bedoelde bevoegdheden het op dat gebied gestelde, bij of op grond van, op basis van wetten, besluiten, verordeningen, circulaires, regelingen, aanwijzingen en richtlijnen van rijks-, provinciale en gemeentelijke wetgevers of bestuursorganen, in acht genomen. 3.. Ten aanzien van bevoegdheden die financiële consequenties hebben geldt bovendien dat hierin in de begroting dan wel in een apart begrotingsbesluit van de raad, moet zijn voorzien en dat, voor zover van toepassing, de bevoegdheid alleen gebruikt mag worden met inachtneming van het bepaalde in Financiële regelingen van de gemeente. 4.. De gemandateerde maakt van de aan hem verleende bevoegdheid geen gebruik en legt de kwestie aan het bevoegde bestuursorgaan voor indien: het voornemen bestaat tot aanvulling of afwijking van het tot dan gevoerde beleid of tot vaststelling van nieuw beleid; niet begrote financiële of andere belangrijke consequenties zijn te verwachten of anderszins een aanmerkelijk beslag op financiële middelen is te verwachten; er rekening mee moet worden gehouden dat het bestuursorgaan op zijn of haar verantwoordelijkheid voor de uitgeoefende bevoegdheid zal worden aangesproken; het een onderwerp betreft dat naar verwachting sterk in de publieke aandacht zal staan en dat politiek gevoelig ligt; de schijn van vooringenomenheid kan worden gewekt, waaronder in ieder geval moet worden verstaan het nemen van een besluit door de (onder)gemandateerde ten aanzien van de gemeente zelf; in de voorbereidingsfase van een besluit de standpunten van de portefeuillehouder, adviseurs en de gemandateerde met betrekking tot de te nemen beslissing, uiteenlopen en/of ambtelijke adviezen niet eensluidend zijn. 5.. Met uitzondering van zaken met een routinematig karakter geldt het mandaat niet ten aanzien van stukken, gericht aan Kroon, Minister, Staatssecretaris, Commissaris der Koningin en Gedeputeerde Staten, tenzij hierin uitdrukkelijk is voorzien.

Rechtspraak bij dit artikel