Naar hoofdinhoud
Het college trekt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b of g, van de wet in, indien niet binnen 104 weken na onherroepelijk worden van de verleende omgevingsvergunning is aangevangen met de vergunde activiteiten. Het college trekt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, d, f, of h, of artikel 2.2, eerste lid, onder a, b, c, d of e, van de wet in, indien niet binnen drie jaar na onherroepelijk worden van de verleende omgevingsvergunning is aangevangen met de vergunde activiteiten. Indien de zienswijze van de vergunninghouder of een belanghebbende hiertoe aanleiding geeft, kan het college besluiten de voorgenomen intrekking van de omgevingsvergunning op te schorten met een redelijke termijn. Deze termijn bedraagt niet meer dan 52 weken. Bij de afweging of en voor welke periode de termijn, bedoeld in het derde lid, wordt opgeschort, worden zowel de belangen van de vergunninghouder of belanghebbenden als de belangen van het college bij directe intrekking van de omgevingsvergunning betrokken. Het bepaalde in dit artikel laat onverlet dat het college vanwege zwaarwegende belangen kan besluiten de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen in te korten.

Rechtspraak bij dit artikel