Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.3

Zorgvervoer Jeugd

Onderdeel van Beleidsregels Jeugdhulp Ouder-Amstel 2022

5.3.1 Criteria vervoer In artikel 2.3, tweede lid van de Jeugdwet is beschreven wanneer vervoer onder jeugdhulp valt: “Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.” Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zorgen ouders in beginsel voor het vervoer van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheden om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Van ouders wordt verwacht dat zij hun kind zelf vervoeren. In geval van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid kan er een vervoersvoorziening worden toegekend. Er wordt gekozen voor het goedkoopst adequate vervoer. Van medische noodzaak is sprake wanneer een jeugdige door zijn psychische, lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking niet in staat is om (eventueel onder begeleiding van een volwassene) gebruik te maken van het openbaar vervoer. Van beperkingen in de zelfredzaamheid is sprake wanneer: De leeftijd van de jeugdige het niet toelaat zelfstandig te reizen met het OV, nadat is aangetoond dat ouders of andere personen in de naaste omgeving niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor de begeleiding. Er sprake is van ernstige gedragsproblemen welke reizen in het OV of eigen vervoer onmogelijk maken; of er andere redenen van niet-medische aard zijn die het zelfstandig of onder begeleiding reizen in het OV of eigen vervoer onmogelijk maken. Er wel de mogelijkheid is zelfstandig van het vervoer gebruik te maken, maar er geen financiële draagkracht is. 5.3.2 Afwegingskader Om voor vervoer naar de jeugdhulplocatie in aanmerking te komen: Heeft een jeugdige een indicatie voor een individuele voorziening jeugdhulp. Is sprake van een medische noodzaak dan wel een beperking in de zelfredzaamheid. Is het niet mogelijk om op eigen kracht het vervoer te organiseren. Voor de eigen kracht geldt dat ouders hierin een rol hebben en dat hierbij het OV voorliggend is. De participatiewet is voorliggend als er financiële problematiek is. Is er geen andere regeling/voorziening waarvan de jeugdige gebruik kan maken voor het vervoer naar de jeugdhulpvoorziening. Bedraagt de afstand van de verblijfsplaats van de jeugdige tot de jeugdhulpvoorziening meer dan 6 kilometer. Een reisafstand binnen 6 kilometer wordt gezien als gebruikelijke zorg en/of hulp; van ouders wordt verwacht dat zij dit zelf regelen. Het gaat hier om deel van het afwegingskader. Dit wil dus zeggen dat als de afstand korter is dan 6 kilometer er om andere redenen zoals in dit hoofdstuk beschreven wel vervoer kan worden toegekend. Ook geldt dat een afstand van meer dan 6 km niet vanzelfsprekend leidt tot een vervoersvoorziening als ouders wel met eigen mogelijkheden het vervoer kunnen organiseren. Vervoer dat onder de Zvw of Wlz valt wordt niet verzorgd vanuit de Jeugdwet. Ander vervoer van jeugdigen dan naar de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld sociaal recreatief vervoer) valt onder gebruikelijke zorg en eigen kracht. Als dit niet toereikend is dan kan dat vervoer onder de Wmo 2015 vallen, als deze sociale contacten noodzakelijk zijn en het eigen netwerk geen mogelijkheden biedt. Het vervoer op grond van de Jeugdwet gaat voor op de Wmo-vervoersvoorziening. Dus voor dat deel waarin de Jeugdwet voorziet, wordt er op grond van de Wmo 2015 geen vervoersvoorziening ingezet. Als het gaat om vervoer naar andere locaties dan de jeugdhulplocatie gelden de volgende richtlijnen: Vervoer naar en van school naar huis is leerlingenvervoer. Vervoer van school naar behandellocatie en terug naar school is zorgvervoer. Vervoer naar en/of van behandellocatie, buiten schooltijden is zorgvervoer. Vervoer tijdens vrij- en vakantiedagen is zorgvervoer en verantwoordelijk van de aanbieder om dit af te stemmen. 5.3.3 Financiering vervoer Met de regionaal gecontracteerde zorgaanbieders is afgesproken dat vervoer onderdeel is van het ingekochte jeugdhulpaanbod. De jeugdhulpaanbieder is daarmee direct verantwoordelijk voor het organiseren van vervoer. Er worden geen aparte indicaties voor vervoersvoorzieningen afgegeven. Voor jeugdigen die zorg krijgen via de landelijk gecontracteerde aanbieders (LTA), een Pgb of individuele betaalovereenkomst kan een aparte voorziening vervoer worden toegekend. 5.3.4 Pgb en vervoer Er kan een Pgb voor formeel vervoer worden toegekend. Het kan daarnaast voorkomen dat er een Pgb wordt toegekend voor informeel vervoer. Hiervoor geldt in aanvulling op bovenstaande afwegingen het volgende: De aard van de hulpvraag van de jeugdige resulteert er in dat het vervoer geboden moet worden door de ouders of persoon uit het informeel netwerk. Als ouders in verband met de hulpvraag van de jeugdige met een formele vervoerder moeten meereizen kunnen ze hiervoor een Pgb begeleiding ontvangen. Dit geldt alleen op het moment dat het kind meereist. Voor een ‘lege’ terugreis wordt geen Pgb verstrekt 17 ECLI:NL:RBDHA:2021:9157 .

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel