**1..** Bij de vaststelling van het inkomen hanteert het college de inkomensbepalingen uit de wet. Dit betekent dat ook de vrijlatingen worden toegepast zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de wet. Er wordt daarbij gekeken naar het inkomen van de aanvrager en eventuele partner, inclusief reservering voor vakantietoeslag.
**2..** Bij een aanvraag kijkt het college naar het inkomen over de kalendermaand van de aanvraag. Bij wisselende inkomsten kijkt het college naar het gemiddelde inkomen van de kalendermaand van de aanvraag en de 5 kalendermaanden daarvoor.
**3..** Bij de vaststelling van het totale inkomen telt het college de ontvangst van een (aanvullende) bijstandsuitkering bij het berekende inkomen op.
**4..** Bij ambtshalve vaststelling kijkt het college of een huishouden op of na 1 januari 2022 het volgende ontvangt of heeft ontvangen:
algemene bijstandsuitkering (op grond van de wet);
IOAW-uitkering;
IOAZ-uitkering;
AIO-uitkering;
bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten;
tegemoetkoming op basis van minimaregelingen.
**5..** Het inkomen uit arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep wordt op dezelfde manier vastgesteld als voor zelfstandigen die een uitkering ontvangen op grond van het Bbz 2004. Dit betekent dat het inkomen over een boekjaar wordt berekend. En pas na afloop van het boekjaar duidelijk wordt of er daadwerkelijk een laag inkomen was, zoals bedoeld in artikel 7.
**6..** Wanneer er een schuldregeling (minnelijk of wettelijk) loopt, of beslag op het inkomen ligt, wordt gekeken naar het daadwerkelijke (lagere) inkomen waar het huishouden over kan beschikken. Hierbij worden de richtlijnen uit uitspraken van de Centrale Raad van Beroep gevolgd (geldende jurisprudentie).