Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6 › Paragraaf 6.3

Artikel 6.3.3

Verruiming definitie aangrenzend perceel bij het tijdelijk opslaan van (ongerijpte) onderhoudsbaggerspecie in een weilanddepot

Onderdeel van Nota bodembeheer

Baggerspecie mag onder bepaalde voorwaarden worden verspreid over aangrenzende percelen (zie § 6.2). Een weilanddepot is een vorm van tijdelijke opslag van (ongerijpte) baggerspecie op een perceel, aangrenzend aan de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is. Om vrijkomende baggerspecie in een groter gebied te kunnen verspreiden of tijdelijk te kunnen opslaan, verruimen de gemeenten de definitie voor aangrenzend perceel als volgt: ‘Baggerspecie mag worden verspreid of in een weilanddepot tijdelijk worden opgeslagen binnen het gehele beheergebied als de baggerspecie afkomstig is uit hetzelfde bodembeheergebied.’ De voorwaarden bij het tijdelijk opslaan van baggerspecie in een weilanddepot zijn: Het weilanddepot is niet gelegen in een bodembeschermingsgebieden (Natuurnetwerk Nederland, habitatgebieden en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. De baggerspecie moet zijn onderzocht conform de NEN 5720. De toetsingsresultaten van het waterbodemonderzoek moeten voldoen aan de msPAF-toets (‘verspreidbaar’). De in de § 6.3.4 vermelde uitzondering voor baggerspecie uit stedelijk gebied voor PAK en minerale olie geldt hier niet. De opslag mag maximaal drie jaar duren. De opslag met de voorziene duur en eindbestemming wordt minimaal vijf werkdagen van te voren gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie § 9.2.1). De tijdelijk opgeslagen baggerspecie moet vanuit het weilanddepot in een nuttige toepassing worden aangebracht. Het ophogen van landbouw- en natuurgronden met het oog op het verbeteren van de (bodem)gesteldheid wordt als een nuttige toepassing beschouwd. Het verspreiden van de baggerspecie in oppervlaktewater wordt niet als een nuttige toepassing gezien. Voor het inrichten van een weilanddepot voor baggerspecie moet, afhankelijk van het plaatselijke bestemmingsplan in de gemeenten een omgevingsvergunning (vroeger aanlegvergunning) worden aangevraagd (artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Afhankelijk van de locatie is ook een ontheffing noodzakelijk van het daar geldende bestemmingsplan. Bij weilanddepots is geen toetsing aan de ontvangende bodemkwaliteit nodig. Daarentegen moet (historische) informatie worden achterhaald waaruit blijkt dat de het weilanddepot niet verdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel