Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.3

Repressieve handhaving

Onderdeel van Nota handhavingsbeleid Kinderopvang Noord-Beveland 2015

Het gaat hierbij om handelingen die erop gericht zijn overtredingen te herstellen en herhaling van overtredingen te voorkomen (repressieve handhaving). In de Wet kinderopvang zijn in afdeling 4 Handhaving artikelen opgenomen op grond waarvan het college kan handhaven. Handhavingsinstrumenten Indien blijkt, dat de houder van een kindercentrum niet voldoet aan één of meer kwaliteitseisen moet de gemeente een handhavingstraject starten. De bevoegdheid om handhavend op te treden ligt bij het college en is gemandateerd aan het afdelingshoofd Beleid & Projecten. Het college (of de mandataris) kan een keuze maken uit de volgende wettelijke maatregelen om naleving van de kwaliteitseisen af te dwingen: aanwijzing (door college) of bevel (door toezichthouder) bestuursdwang last onder dwangsom exploitatieverbod uitschrijving uit register bestuurlijke boete (afdeling 5 paragraaf 2, Wet kinderopvang). In de meeste gevallen moet het college eerst een aanwijzing opleggen alvorens tot een zwaarder handhavingsmiddel wordt overgegaan. In spoedeisende gevallen heeft de toezichthouder de mogelijkheid om een bevel op te leggen. Voorwaarde voor het opleggen van een bevel is dat de toezichthouder van oordeel is dat de tekortkomingen bij een kindercentrum of gastouderbureau zodanig zijn dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden. De gemeente kan, voordat de eerste juridische stap van aanwijzing wordt gezet, overwegen eerst een schriftelijke waarschuwing te geven. Ook kan overwogen worden eerst op basis van mondelinge overreding de houder te bewegen de overtreding te herstellen. Zowel de waarschuwing als de mondelinge overreding hebben geen juridische status en betekenen een uitstel van het sanctioneringstraject. Bij de keuze van de te nemen maatregelen moeten motieven van de overtreder worden meegenomen. Sanctieprotocol: Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Alle maatregelen en de daarbij behorende procedures worden beschreven in deze beleidsregels (bijlage 1). De gemeente Noord-Beveland hanteert dit afwegingsmodel bij het uitvoeren van de handhavingsacties als blijkt dat een houder van een kindercentrum niet voldoet aan één of meer kwaliteitseisen van de Wk en de Bkk. In het afwegingsmodel zijn prioriteiten gesteld. De zwaarte van de prioriteit komt tot uiting in de hersteltermijnen van de aanwijzing. De hersteltermijn in het afwegingsmodel wordt aangegeven in een bandbreedte. Na het verstrijken van een hersteltermijn dient de overtreding beëindigd te zijn. Ter controle hiervan kan de handhaver schriftelijke bewijsstukken opvragen dan wel de GGD opdracht geven voor een herinspectie. Mandatering Indien het nodig is om handhavend op te treden, is het van belang dat er binnen de gestelde termijnen gehandeld wordt. Om de procedure efficiënt te laten verlopen, is het hoofd van de afdeling Beleid en projecten gemandateerd door het college met betrekking tot afdeling 3 paragraaf 2, en afdeling 4 paragraaf 1 en 2 van de Wk. Samenvatting handhavingstraject: In principe start het gemeentelijke handhavingstraject direct na ontvangst van het definitieve inspectierapport van de GGD. Op basis van de Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen wordt bepaald welke maatregel genomen wordt. De eerste (juridische) stap is meestal het opleggen van een aanwijzing, fase 1. In geval de GGD al een bevel heeft gegeven, kan het bevel beschouwd worden als fase 1. In dit geval kan de gemeente de aanwijzing overslaan en direct overgaan naar fase 2: een andere maatregel opleggen. De gemeente kan in bijzondere gevallen, voordat de eerste juridische stap van aanwijzing wordt gezet, overwegen eerst een schriftelijke waarschuwing te geven of op basis van een mondelinge overreding de houder te bewegen de overtreding te herstellen.

Rechtspraak bij dit artikel