Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2

Gronden voor het weigeren van een vergunning voor gesloten bodemenergiesystemen binnen de interferentiegebieden Zuidwest en Europaweg

Onderdeel van Beleidsregel gronden weigering vergunning bodemenergiesystemen interferentiegebieden Zuidwest en Europaweg

Op grond van artikel 5.13b lid 9 juncto artikel 2.2a lid 6 van het Besluit omgevingsrecht wordt een omgevingsvergunning voor het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer, dan wel een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van minder dan 70 kW dat is gelegen binnen een interferentiegebied geweigerd indien het bodemenergiesysteem zodanige interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem, met inbegrip van een open bodemenergiesysteem waarvoor een vergunning krachtens artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet is vereist, dat het doelmatig functioneren van een van de desbetreffende systemen kan worden geschaad dan wel anderszins sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie. Bij doelmatig gebruik van bodemenergie gaat het om optimaal gebruik van de potentie van de bodem om energie te leveren. Daarbij gaat het enerzijds om een zo goed mogelijk rendement van een systeem op een bepaalde locatie (een goed ontwerp en goed beheer zijn bepalend) en anderzijds om de totale energieproductie van meerdere systemen in een gebied. Bij dit laatste gaat het in praktische zin om het voorkomen van negatieve interferentie en om een optimale onderlinge ordening van bodemenergiesystemen. Van ondoelmatig gebruik van bodemenergie in de interferentiegebieden Zuidwest en Europaweg is in ieder geval sprake indien niet wordt voldaan aan de volgende regels. Regels voor gesloten bodemenergiesystemen Gesloten bodemenergiesystemen mogen uitsluitend geplaatst worden op eigen perceel; Bij de verticale plaatsing van bodemlussen kan worden gekozen uit een lengte van maximaal 90 m of een lengte van minimaal 190 m; Een bodemlus met een lengte tussen de 90 en 190 meter is niet toegestaan. Regels voor open bodemenergiesystemen Een open bodemenergiesysteem dient uitgevoerd te worden als mono-bron; Het maximale debiet van een mono-bron is 70 m3 /uur; Het koude filter wordt boven het warme filter gerealiseerd; Het koude filter wordt tussen 90 en 120 m -mv geplaatst; De bovenzijde van het warme filter wordt vanaf 140 m -mv geplaatst; De afstand van onderzijde koude filter tot bovenzijde warme filter is minimaal 25 m; De verhouding filterlengte/thermische straal is minimaal 0,5; De onderlinge afstand tussen mono-bronnen bedraagt minimaal 0,5 maal de thermische straal; Een mono-bron wordt in beginsel op eigen perceel geplaatst; De mono-bronnen zijn bodemzijdig in thermische balans. De totale hoeveelheid bodemzijdig opgeslagen warmte over de laatste 5 jaar dient gelijk te zijn aan de totale hoeveelheid opgeslagen kou in deze periode met een afwijking van maximaal 10 procent koude-overschot.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel