Naar hoofdinhoud
1.. Een deelnemer kan niet eerder dan vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze regeling uit de BVO treden voor het geheel of met betrekking tot een doelgroep uit het vervoerssysteem door een daartoe strekkend besluit van die deelnemer. 2.. Indien een deelnemer uit wenst te treden, zal het Bestuur in het kader van de in het vierde lid bedoelde afwikkeling van de gevolgen daarvan op basis van een sociaal plan personeel aan deze deelnemer toewijzen. 3.. De uittreding kan op twee manier plaatsvinden: gedurende de looptijd van het contract met de regiecentrale met inachtneming van een termijn van aanzegging van het besluit aan de andere deelnemers van minimaal één jaar, met ingang van 1 januari van het opvolgende jaar. bij afloop van de looptijd van het contract met de regiecentrale met inachtneming van een termijn van aanzegging van het besluit aan de andere deelnemers van minimaal 15 maanden voordat het contract met de regiecentrale afloopt. 4.. Een uittredingsplan wordt vastgesteld als ten minste tweederde van de deelnemers waaronder de uittredende deelnemer, daartoe besluit. Het Bestuur kan een onafhankelijke derde opdracht geven een uittredingsplan op te stellen, nadat op de inhoud van deze opdracht instemming is verkregen van het college van de deelnemer die wenst uit te treden. De kosten van het inschakelen van de onafhankelijke derde zijn voor rekening van de deelnemer die wenst uit te treden. Bij uittreding gedurende de looptijd van het contract zullen de financiële gevolgen van de uittreding voor rekening van de uittredende deelnemer komen. Bij een uittreding na afloop van de looptijd van het contract zullen de alleen de directe kosten voor rekening van de uittredende deelnemer komen. 5.. Het bepaalde in de vorige leden is, met uitzondering van het derde lid, van overeenkomstige toepassing als de uittreding van een deelnemer betrekking heeft op een of meerdere doelgroepen. Voor uittredingsplan moet in dat geval deeluittredingsplan worden gelezen.

Rechtspraak bij dit artikel