Onder een structurele beperking wordt een beperking verstaan die 3 maanden of langer duurt.
Een leerling met een tijdelijke beperking, zoals een gebroken been of arm, komt niet in aanmerking voor leerlingenvervoer. Het kan echter voorkomen dat een leerling een zware operatie moet ondergaan of bijvoorbeeld een meervoudige ledematenbreuk heeft opgelopen, met als gevolg dat hij of zij een groot gedeelte van het schooljaar afhankelijk is van rolstoel en/of krukken vanwege herstel of revalidatie. In dat geval kan een leerling bij een beperking die langer duurt dan 3 maanden wel een beroep doen op het leerlingenvervoer. Er kan een beschikking af worden gegeven voor de duur van het herstel en/of de revalidatie. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:
Wanneer sprake is van een tijdelijke beperking tot drie maanden heeft de leerling geen aanspraak op leerlingenvervoer;
Wanneer er sprake is van een tijdelijke beperking die langer duurt dan drie maanden, kan de leerling tijdelijk in aanmerking komen voor leerlingenvervoer;
De verwachte periode van de tijdelijke beperking dient aangetoond te worden door middel van schriftelijke verklaringen van bijvoorbeeld medische specialisten of een behandelend arts. Burgemeester en wethouders behouden zich te allen tijde het recht voor het advies van andere deskundigen bij de beoordeling te betrekken;
Vervoer wordt niet toegekend voor een volledig schooljaar, maar voor een beperkte periode afhankelijk van de aard en de ernst van de tijdelijke beperking.
Het vervoer vindt plaats in aansluiting op de reguliere begin- of eindtijd van de school volgens de schoolgids. Indien er in geval van opbouw in aantal lesuren geen aansluiting kan zijn bij de reguliere vervoersmomenten, is het benodigde vervoer op de afwijkende tijden de verantwoording van de ouders/verzorgers.
Als de noodzaak voor het vervoer verdwijnt, heeft de leerling geen recht meer op vervoer. De ouders/verzorgers moeten van een dergelijke wijziging in omstandigheden het college onmiddellijk op de hoogte stellen.