Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.3

Moment vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating

Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet Het Hogeland 2020

Zolang een belanghebbende niet (redelijkerwijs) kan beschikken over zijn aandeel in de boedel, kan de waarde van dit aandeel niet als vermogen in aanmerking worden genomen (artikel 34 lid 1 onderdeel a PW). Wanneer tegoeden op een bankrekening van een belanghebbende in gemeenschap van goederen met de ex-partner vallen omdat er nog geen scheiding en deling heeft plaatsgevonden, kan belanghebbende redelijkerwijs over die tegoeden beschikken omdat de tegoeden feitelijk kunnen worden aangewend om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Zolang er geen deling heeft plaatsgevonden en belanghebbende aantoonbaar niet kan beschikken over de voldoende tegoeden die tijdens de gemeenschap zijn verkregen dan wordt de bijstand om niet verstrekt. Wanneer de boedelscheiding volledig is afgerond dan stelt het college opnieuw het vermogen vast. Hiervoor dient een heronderzoek te worden opgevoerd. Wanneer belanghebbende achteraf voldoende middelen had over de periode van bijstandverlening dan wordt op grond van artikel 58 lid 2 sub f PW de bijstand teruggevorderd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel