Conform artikel 4 Verordening afstemming Participatiewet, IOAW en IOAZ Het Hogeland 2019 wordt de verlaging toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm.
Als een verlaging niet kan worden geëffectueerd over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging is genomen, dan kan de verlaging worden opgelegd met ingang van de eerstvolgende betaling van de uitkering nadat het besluit tot het opleggen van de verlaging is genomen.
Een verlaging kan niet worden geëffectueerd over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging is genomen als er over die maand al een maatregel is uitgevoerd.
Wanneer het niet mogelijk is om een lopende uitkering af te stemmen (bij beëindiging) dan kan er een verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast. Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van herziening van de uitkering en kan dan op grond van artikel 58 lid 2 onder a PW worden teruggevorderd.
Afstemming met terugwerkende kracht is niet mogelijk wanneer de gehele uitkering over de betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd.
Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is het mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen 1 jaar na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt