Het rijksbeleid op het gebied van monumentenzorg is onder meer neergelegd in de Nota Monumentenzorg uit 1984. Aan deze nota is uitvoering gegeven middels onder meer de Monumentenwet 1988, diverse subsidieregelingen en projecten die betrekking hebben op de periode 1850-1940. Recent is daar het rijksbeleid bij gekomen voor de periode na de tweede wereld oorlog, de periode van de wederopbouw. Een honderdtal objecten zijn aan de lijst van Rijksmonumenten toegevoegd.
Bij de opzet van de Monumentenwet 1988 is een onderscheid gemaakt tussen de bescherming van monumenten (waarvoor het rijk eerstverantwoordelijke is) en de zorg voor monumenten (een verantwoordelijkheid van overheden en particulieren samen).
Tot de bevoegdheid van het rijk behoort het aanwijzen van monumenten als beschermd rijksmonument en het aanwijzen van beschermde stads- en dorpsgezichten. Hierbij wordt overigens advies gevraagd aan onder meer de gemeente via de gemeentelijke monumentencommissie.
De Monumentenwet 1988 opent voor het rijk de mogelijkheid om subsidies te verstrekken ten behoeve van het herstel en de instandhouding van beschermde rijksmonumenten.
Verdrag van Malta/Verdrag van Valletta
Op 16 januari 1992 is het verdrag van Malta, ook wel het Verdrag van Valletta genoemd, gesloten. Met dit verdrag beloofden de lidstaten van de Raad van Europa zich in te spannen om het archeologische erfgoed in Europa beter te beschermen. De reden voor dit verdrag is dat het archeologische erfgoed in heel Europa dreigde te worden vernietigd door een steeds grotere economische welvaart. In Nederland is na de ondertekening begonnen met een vertaling naar de Nederlandse wetgeving. Uiteindelijk is dat in 2007 gelukt, de Wet op de archeologische monumentenzorg. Deze wet is in werking getreden op 1 september 2007. Het principe van het Verdrag van Malta is dat de ‘bodemverstoorder betaalt’. Voornamelijk bij het opstellen en wijzigen van bestemmingsplannen moet door gemeenten en provincies voortaan rekening worden gehouden met de archeologische waarden in de bodem.
Nota Belvedère
In juli1999 brachten de ministeries van LNV, OC&W, V&W en VROM de nota Belvedère uit. De beleidsnota over de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting. De twee belangrijkste doelstellingen van de nota zijn:
het erkennen en herkenbaar houden van de cultuurhistorische identiteit in zowel het stedelijk als landelijk gebied, als kwaliteit en uitgangspunt voor verdere ontwikkelingen;
het versterken en benutten van de cultuurhistorische identiteit en de daarvoor bepalende kwaliteiten van de cultuurhistorisch meest waardevolle gebieden van Nederland, de zogenaamde Belvedèregebieden.
Het streven is gericht op ‘anticiperende cultuurhistorie en reflectieve ruimtelijke planning’ en het tegengaan van vervlakking en saaiheid in de inrichting van wijken en landschappen. Bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen wordt een integrale aanpak van monumentenzorg, archeologie en historische geografie bevorderd door een afwegingsverplichting te introduceren binnen de bestaande ruimtelijke procedures. In de Belvedèregebieden geldt de afwegingsverplichting in het bijzonder.
In de omgeving van Waalre is het Dommeldal aangewezen als Belvedèregebied. De Dommel stroomt deels over het grondgebied van Waalre.
Woningwet
Op grond van de Woningwet verleent de gemeente bouwvergunningen. In de Woningwet zijn in de artikelen 43, 44 en 54 specifieke regelingen opgenomen ten aanzien van monumenten. Zo is in het laatstgenoemde artikel geregeld dat het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om bouwvergunning niet kan verlenen zolang de benodigde monumentenvergunning op grond van het hiertoe bepaalde in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 niet is verleend.
Bouwbesluit
Bij het verlenen van bouwvergunningen toetst de gemeente aan de voorschriften van het Bouwbesluit (bouwtechnische eisen) met betrekking tot veiligheid (constructie, brand en sociale veiligheid), gezondheid, bruikbaarheid en energiezuinigheid. Het Bouwbesluit maakt ten aanzien van de te hanteren normen onderscheid in een aantal categorieën in de woon- en niet-woonsfeer en daarbij tevens in nieuwbouw en renovatie. Bij de laatste categorie zijn ten opzichte van nieuwbouw enkele vrijstellingen mogelijk. Als bij monumenten redelijkerwijs niet aan de nieuwbouwvoorschriften kan worden voldaan kan het college van burgemeester en wethouders (enkele uitzonderingen daargelaten) op grond van artikel 6 van de Woningwet vrijstelling verlenen tot een lager niveau dan het nieuwbouwniveau. Het gaat hierbij dan om bouwkundige voorschriften voor plafondhoogten en de maatvoering van toegangsopeningen. Het al dan niet verlenen van vrijstelling is een bevoegdheid op grond van een eigen gemeentelijke beleidsregel.
Wet op de Ruimtelijke Ordening / Bestemmingsplan
Op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) kan de gemeente het monumentenbeleid reguleren door middel van het bestemmingsplan. Onderdeel van een dergelijk bestemmingsplan is een cultuurhistorische paragraaf waarin de in het desbetreffende plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden zijn beschreven en gewaardeerd. Deze waarden maken daarmee integraal onderdeel uit van het totale ruimtelijke beleid.
Een bijzonder bestemmingsplan is dat voor de bescherming van de cultuurhistorisch waarden in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. Op grond van het hiertoe bepaalde in de Monumentenwet 1988 is de gemeente zelfs verplicht tot het vaststellen van een dergelijk bestemmingsplan voor een door het rijk vastgesteld beschermd stads- of dorpsgezicht. Het meest opvallende verschil met het “gewone” bestemmingsplan is de mate van gedetailleerdheid.
Welstandnota
Op 1 januari 2003 is de herziene Woningwet in werking getreden. Dit om de bouwvergunningprocedures en het welstandstoezicht te vereenvoudigen en toegankelijker en objectiever te maken. De opvallendste verandering van de Woningwet is het opstellen van een gemeentelijke welstandnota. De gemeenteraad is hierbij verantwoordelijk gesteld voor het opstellen en vastleggen van welstandscriteria. Hierdoor is het voor inwoners, ontwerpers of ondernemers vooraf duidelijk waaraan de welstandscommissie bij een eventueel bouwplan gaat toetsen.
Rijksdienst voor Archeologie , Cultuurlandschap en Monumenten (RACM)
De Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM), die ressorteert onder het ministerie van OCW, fungeert als het centrale instituut voor kennis en expertise op het terrein van de monumentenzorg in Nederland.
De RACM heeft een aantal wettelijke taken die voortvloeien uit de landelijke wet- en regelgeving op het terrein van de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening. Zo is de dienst verantwoordelijk voor inventarisatie, selectie en registratie van beschermde (rijks)monumenten, hetgeen overigens in nauwe samenwerking met gemeenten en provincies gebeurt. Daarnaast adviseert de RACM inzake de vergunningverlening door gemeenten. Er is ook een belangrijke adviserende rol ten aanzien van ruimtelijke ordeningsplannen. De dienst verstrekt namens de staatsecretaris van OCW subsidies voor restauratie en onderhoud van rijksmonumenten.
De gemeente Waalre heeft de bevoegdheid tot het verlenen van monumentenvergunningen in het kader van de Monumentenwet 1988. Voorwaarde hiervoor is dat de gemeente beschikt over een monumentenverordening, waarin de instelling is geregeld van een gemeentelijke monumentencommissie.