Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Paragraaf 4.3.

Artikel 4.3.1.

Afwegingsgebied acceptabel hinderniveau

Onderdeel van Beleidsnota industriële geurhinder Gemeente Alphen aan den Rijn

Conform de uitgangspunten van het geurhinderbeleid zal het acceptabel hinderniveau liggen in het gebied tussen het MTR niveau (geen ernstige hinder) en de streefwaarde (geen hinder), waarbij de streefwaarde voor nieuwe situaties het uitgangspunt is. In Alphen aan den Rijn worden daarom bij het afwegingsproces ten behoeve van de vaststelling van het acceptabel hinderniveau de volgende twee grenzen gehanteerd: de hindergrens, de geurbelasting (in ouE/m3 bij een bepaald percentiel) waar beneden geurhinder verwaarloosbaar is (0 % hinder). Vanaf deze geurbelasting begint in feite de geurhinder; de ernstige hindergrens, de geurbelasting (in ouE/m3 bij een bepaald percentiel) waarboven ernstige geurhinder waarschijnlijk is. Boven deze geurbelasting is de geurhinder voor geurgevoelige objecten op voorhand onacceptabel. Klachten1Uit analyse van klachtenregistraties en TLO’s blijkt dat minder dan 0,5 % van de geurgehinderden daadwerkelijk een geurklacht indient. Het aantal geurgehinderden is dus een veelvoud van het aantal klagers. nemen zeer sterk toe als de geurbelasting toeneemt boven deze ernstige hindergrens. Voor de bepaling van de hindergrenzen worden door de gemeente Alphen aan den Rijn met name de volgende objectieve hulpmiddelen gebruikt: de hinderenquête (TLO’s), klachtenregistratie/-analyse en hedonische waarden2Hierbij zijn de TLO en de klachtenregistratie van groter belang dan de hedonische waarde, omdat deze een maat zijn voor de werkelijk ondervonden hinder. In gevallen waarbij geen informatie beschikbaar of toepasbaar is uit TLO’s of klachtenregistraties geeft de hedonische waarde een belangrijke indicatie voor de mogelijke hinder.. Het is niet uit te sluiten dat in de toekomst meerdere objectieve hulpmiddelen hun waarde bewijzen. Voor het gebruik van andere objectieve hulpmiddelen blijft ruimte bestaan. Een veelbelovende in ontwikkeling zijnde methode is de ‘elektronische neus’. De provincie Zuid-Holland heeft sinds 1995 dosis-effectrelaties bepaald rond een aantal bedrijven op basis van TLO’s, waarbij een relatie is gelegd tussen geurbelasting en hinder/klachten. Tevens zijn bronsterkten en hedonische waarden (de (on)aangenaamheid van een geurtype) van specifieke processen en geuren verzameld. Op basis van de relatie tussen deze objectieve hulpmiddelen en ook de bevindingen uit de Evaluatie ‘Handreiking luchtkwaliteit en Ruimtelijke Ordening -module stank’ [ref. 4.] is het beoordelingskader voor het acceptabel geurhinderniveau van de provincie Zuid-Holland voor continue bronnen tot stand gekomen. De gemeente Alphen aan den Rijn sluit in dit beleid aan bij het door de provincie ontwikkelde beoordelingskader voor het acceptabel geurhinderniveau. De hoofdconclusie is: het afwegingsgebied voor het acceptabel geurhinderniveau voor een continue emissiebron bevindt zich tussen de volgende grenzen: hindergrens: deze ligt op een berekende geurconcentratie van 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel; ernstige hindergrens: deze wordt gevormd door de geurconcentratie behorende bij een hedonische waarde van -2 (cH-2) als 98-percentiel. Boven een concentratie van 5 ouE/m3 als 98-percentiel treedt altijd ernstige hinder op. Dit betekent dat deze waarde nimmer mag worden overschreden. Afgeleid beoordelingskader: Zoals eerder beschreven, zijn de toetsingswaarden die de gemeente Alphen aan den Rijn hanteert in principe een toetsingslijn. Er wordt niet op één percentielwaarde getoetst maar op de volledige frequentieverdeling (zie tabel 4.2 en afbeelding 4.1). In de praktijk wordt echter gemakshalve volstaan met de beoordeling van één percentiel: de 98-percentiel voor continue bronnen en de 99,99-percentiel voor discontinue bronnen. Tabel 4.2 geeft de frequentieverdeling bij continue bronnen uitgaande van de genoemde Hindergrens van 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel. Er wordt geen hinder verwacht indien de geurconcentratie in de leefomgeving (de geurimmissie) de waarden in tabel 4.2 niet overschrijdt. tabel 4.2. Frequentieverdeling behorende bij de Hindergrens 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel 1 ouE/m3 als 99,5-percentiel 1,5 ouE/m3 als 99,9-percentiel 2,5 ouE/m3 als 99,99-percentiel Op basis van tabel 4.2 is in afbeelding 4.1 de frequentieverdeling van geurconcentraties met de toetsingslijn voor hinder grafisch weergegeven Noot: De gepresenteerde toetsingslijn voor continue bronnen is in de praktijk per specifieke situatie afhankelijk van onder andere de ruwheidslengte van het receptorgebied, bron-/immissiehoogte en de afstand tot de bron. In werkelijkheid kan de verhouding van de concentratie van het 98-percentiel en het 99,99percentiel variëren tussen een verhouding 1:2 en 1:10. Daarmee kan voor een specifieke situatie, mits goed onderbouwd, worden afgeweken van de in tabel 4.2 gepresenteerde vaste verhouding van 1:5. Om te beoordelen of geurhinder door piekemissies wordt voorkomen, dient in een specifiek geval de (ernstige) hindergrens (frequentieverdeling) bepaald te worden overeenkomstig tabel 4.2 en afbeelding 4.1 zijnde een continue bron. Dit betekent dat de piekemissie als continue bron dient te worden ingevoerd in het verspreidingsmodel Het afwegingsgebied: Het acceptabel hinderniveau in een specifieke situatie ligt in het gebied tussen de hindergrens en de ernstige hindergrens. Dit is in afbeelding 4.2 schematisch weergegeven. afbeelding 4.2. Hindergrenzen en afwegingsgebied acceptabel geurhinderniveau In bijzondere regelingen (bedrijfstakonderzoeken) in de NeR en in geurbeleidsstukken van andere overheden wordt gebruikgemaakt van een tussenniveau, overeenkomstig de geurconcentratie behorende bij een hedonische waarde van -1 als 98-percentiel (voor continue bronnen). Dit tussenniveau is de zogenoemde 12 % hindercontour en wordt verder gedefinieerd in paragraaf 4.3.2. Dit niveau is bij uitstek geschikt bij de beoordeling van geur bij ruimtelijke plannen. Nieuwe en bestaande situaties Nieuwe hinder wordt voorkomen door nieuwe geurgevoelige bestemmingen te projecteren buiten de Hindergrens en nieuwe geurbronnen zodanig te projecteren of te beperken dat zich geen geurgevoelige bestemmingen binnen de Hindergrens bevinden. Dit beschermingsniveau is in bestaande situaties dikwijls niet haalbaar. Bij het beperken van bestaande hinder bevindt zich het afwegingsgebied voor het acceptabel hinderniveau tussen de hindergrens en de ernstige hindergrens. Discontinue en fluctuerende bronnen: piekemissies Fluctuerende bronnen geven een patroon te zien van wisselende emissieniveaus binnen één emissieuur elke niet op voorhand bekend zijn. Deze emissies hebben vaak een incidenteel karakter, bijvoorbeeld een korte piek waarna het niveau weer afneemt: voorbeelden zijn het laden en lossen of het opengaan van deuren van een loods. De ultieme vorm van een fluctuerende bron is de emissie afkomstig van een niet representatieve bedrijfsomstandigheid (= ongeval). De incidentgevoeligheid van een bedrijf is moeilijk in te schatten en hangt onder meer samen met de mate van good housekeeping van het desbetreffende bedrijf. In verspreidingsberekeningen wordt de bijdrage aan geurhinder door fluctuerende bronnen vaak onderschat door de geurcontouren te presenteren als 98-percentiel of door de bron geheel niet mee te nemen in berekeningen. Voor bronnen met een fluctuerend of discontinu emissiepatroon (emissie gedurende minder dan 3.500 uur per jaar) geeft een 98-percentiel onvoldoende inzicht in de ondervonden hinder/klachten, omdat het effect op de leefomgeving door de berekende immissiecontour wordt onderschat. De hogere percentielen geven beter inzicht in die hogere immissieconcentraties. Voor discontinue bronnen, dat wil zeggen bronnen die minder dan 40 % van de tijd per jaar emitteren (minder dan 3.500 uur per jaar) wordt daarom niet het 98-percentiel als toetsingswaarde beschouwd maar wordt gekozen voor het 99,99-percentiel [ref. 11.]. Dit percentiel geeft aan waar een bepaalde (piek)geurconcentratie in 0,01 % van de tijd (dat wil zeggen < 1 uur per jaar) wordt overschreden. De gemeente Alphen aan den Rijn hanteert als uitgangspunt dat er ten gevolge van discontinue bronnen geen hinder te verwachten is indien geen overschrijding optreedt van de concentraties van de frequentieverdeling behorende bij continue bronnen. Deze is weergegeven in tabel 4.2 en afbeelding 4.1. Voor discontinue bronnen zullen de hoogste percentielen daarbij maatgevend zijn. Voor bronnen met minder dan 3.500 emissie-uren per jaar (t < 0,4) gelden daarom de volgende grenzen als 99,99-percentiel: de hindergrens ligt op 2,5 ouE/m3 als 99,99-percentiel; de ernstige hindergrens ligt bij de geurconcentratie die hoort bij een hedonische waarde van -2, vermenigvuldigd met een factor 5, als 99,99-percentiel. Boven 25 ouE/m3 als 99,99-percentiel treedt altijd ernstige hinder op.

Rechtspraak bij dit artikel