**1..** In geval van een aanvraag om (wijziging van) een vergunning als bedoeld in de artikelen 3 en 30a van de Drank- en Horecawet, artikel 2:28 van de APV (exploitatievergunning openbare inrichting), artikel 3:3 van de APV (vergunning seks- en escortbedrijf) zal het bestuursorgaan in beginsel een Bibob-onderzoek starten indien:
sprake is van nieuwe vestiging van een inrichting of bedrijf en/of
sprake is van een overname of wijziging van een exploitant en/of
op grond van:
eigen ambtelijke informatie, en/of
informatie verkregen van het LBB, en/of
informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob (OM-tip) en/of
overige signalen
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiele, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
**2..** In afwijking van het bepaalde in het vorige lid zal het bestuursorgaan ten aanzien van paracommerciële instellingen en slijterijen in beginsel uitsluitend een Bibob-onderzoek starten, indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, sub c van deze beleidsregel.
**3..** In beginsel wordt geen Bibob-onderzoek gestart indien een aanvraag voor een vergunning voor een prostitutiebedrijf een eenmanszaak betreft, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
de aanvraag betreft een vergunning die, indien deze wordt verleend, op naam wordt gesteld van een eenmanszaak;
de eigenaar van de eenmanszaak niet reeds exploitant is in de zin van artikel 3:2 van de APV;
de aanvraag betrekking heeft op niet meer dan één (1) werkruimte en
de seksuele diensten in de werkruimte uitsluitend worden verricht door degene die eigenaar is van de eenmanszaak.