Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.1

Horeca en seksbedrijven

Onderdeel van Beleidsregels toepassing Wet Bibob 2018 gemeente Texel

1.. In geval van een aanvraag om (wijziging van) een vergunning als bedoeld in de artikelen 3 en 30a van de Drank- en Horecawet, artikel 2:28 van de APV (exploitatievergunning openbare inrichting), artikel 3:3 van de APV (vergunning seks- en escortbedrijf) zal het bestuursorgaan in beginsel een Bibob-onderzoek starten indien: sprake is van nieuwe vestiging van een inrichting of bedrijf en/of sprake is van een overname of wijziging van een exploitant en/of op grond van: eigen ambtelijke informatie, en/of informatie verkregen van het LBB, en/of informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob (OM-tip) en/of overige signalen vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiele, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. 2.. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid zal het bestuursorgaan ten aanzien van paracommerciële instellingen en slijterijen in beginsel uitsluitend een Bibob-onderzoek starten, indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, sub c van deze beleidsregel. 3.. In beginsel wordt geen Bibob-onderzoek gestart indien een aanvraag voor een vergunning voor een prostitutiebedrijf een eenmanszaak betreft, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: de aanvraag betreft een vergunning die, indien deze wordt verleend, op naam wordt gesteld van een eenmanszaak; de eigenaar van de eenmanszaak niet reeds exploitant is in de zin van artikel 3:2 van de APV; de aanvraag betrekking heeft op niet meer dan één (1) werkruimte en de seksuele diensten in de werkruimte uitsluitend worden verricht door degene die eigenaar is van de eenmanszaak.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel