In de Wet op de lijkbezorging* staat wat er gebeurt met stoffelijke overschotten. Ook stelt deze wet procedurele normen vanaf het moment van overlijden tot en met de begrafenis en/of crematie, dan wel andere wijzen van lijkbezorging. De mogelijkheid om een familiegraf op eigen grond te realiseren is in 1991 afgeschaft. Tot die tijd vielen dit soort graven niet onder het voor begraafplaatsen geldende regime qua technische en hygiënische eisen.
Volgens de Wet op de lijkbezorging is een bijzondere begraafplaats van een kerkgenootschap dan wel een privaatrechtelijk persoon. Een kerkgenootschap heeft het recht op het hebben van een of meer kerkelijke begraafplaatsen. Een particuliere begraafplaats (begraven op eigen terrein/in eigen tuin) valt ook onder het begrip ‘bijzondere begraafplaats’.
Voor het aanleggen van een bijzondere begraafplaats moet de gemeenteraad de grond aanwijzen (artikel 40 lid 1). De gemeente bepaalt of en waar iemand een begraafplaats kan beginnen.
Uit de totstandkoming van de Wet op de lijkbezorging kan worden opgemaakt dat de wetgever heeft beoogd de aanleg van familiegraven op particulier terrein te beperken. Het is niet gewenst dat ieder op particulier terrein tot begraving kan overgaan en de bedoeling is niet dat een gemeenteraad eenvoudig zal overgaan tot aanwijzing van een begraafplaats op particulier terrein.
De aanwijzing van (particuliere) grond voor de aanleg van bijzondere particuliere graven roept een zwaarwegend en langdurig recht in het leven dat belemmerend kan werken op toekomstige (planologische) ontwikkelingen.
Bij de aanwijzing van grond voor het aanleggen van een bijzondere begraafplaats spelen onder meer de belangen van ruimtelijke ordening een rol. Een belangrijk criterium dat doorgaans ook – terecht – wordt gehanteerd is dat er sprake moet zijn van een historische binding met het perceel. Ook wordt meegewogen in hoeverre er binnen de gemeente een voldoende en gedifferentieerd aanbod van begraafmogelijkheden aanwezig is.
Terughoudendheid bij het aanwijzen van een particuliere begraafplaats op particulier terrein is het uitgangspunt. Dit uitgangspunt is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het verleden in diverse procedures bevestigd.
Voor besluiten van de gemeenteraad (aanwijzingsbesluit) en burgemeester en wethouders (toestemming voor ingebruikname) staat voor belanghebbenden beroep open bij Gedeputeerde Staten (artikel 42 Wet op de lijkbezorging).
Voorschriften ter uitvoering van de Wet op de lijkbezorging staan in het Besluit op de lijkbezorging.
In het Besluit op de lijkbezorging staan voorschriften waar de algemene maar ook de bijzondere begraafplaatsen aan moeten voldoen.
De belangrijkste zijn:
de afstand van een graf tot de erfafscheiding: ten minste 1 meter;
een graf bevindt zich ten minste 30 centimeter boven het niveau van de ‘gemiddeld hoogste grondwaterstand’.
Volgens de Wet ruimtelijke ordening moet de aanleg van een bijzondere begraafplaats in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan of daarmee in overeenstemming kunnen worden gebracht. Volgens jurisprudentie hoeft het bestemmingsplan niet te worden aangepast als het gaat om een begraafplaats van enkele vierkante meters met slechts enkele graven.
De provinciale Milieuverordening van de provincie Noord-Holland verbiedt het aanleggen van begraafplaatsen in waterwingebieden.
Tevens is voor het graven in een gebied dat is aangewezen als aardkundig monument (zie figuur 1) een ontheffing van de provincie nodig.
Voor het bepalen van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is een cultuurtechnisch bodemonderzoek nodig. De GHG is af te lezen in de boorstaat op het punt waar de gleyverschijnselen *beginnen. Dit is het punt waar ijzer in geoxideerde vorm maar ook in gereduceerde vorm voorkomt. Dit is zeer specialistisch onderzoek.
Het hebben van een begraafplaats in de achtertuin is niet vergunningsplichtig voor de Waterwet. Op het moment dat het grondwaterpeil moet worden verlaagd ten behoeve van een begraafplaats is dit vergunningsplichtig in het kader van de Waterwet.
In 1987 is er uitgebreid onderzoek gedaan naar de vervuilingssituatie van oppervlaktewateren bij begraafplaatsen. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat er geen significante beïnvloeding van de kwaliteit van het oppervlaktewater optreedt ten gevolge van lozingen van drain- of grondwater vanaf begraafplaatsen. Wel wordt geadviseerd om drainagewater niet te lozen op recreatief water of sloten die worden gebruikt voor beregening van gewassen. Het beregeningsaspect is geen probleem aangezien er niet beregend mag worden vanuit het oppervlaktewater op Texel.
*) Artikel 2 van de Wet op de lijkbezorging bepaalt dat een menselijke vrucht die na een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken levenloos ter wereld is gekomen of binnen 24 uur na de geboorte is overleden niet als lijk in de zin van de wet wordt gezien. Deze kindjes hoeven niet op een begraafplaats te worden begraven maar dat mag ook elders, bijvoorbeeld in de eigen tuin.
*) Gleyverschijnselen (ook wel roestverschijnselen genoemd) zijn roestvlekken in de bodem als gevolg van fluctuaties in de grondwaterstand.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.3
Wettelijke grondslag
Onderdeel van Geen bijzondere begraafplaatsen op particulier terrein