Het standplaatsenbeleid vloeit voort uit de Algemene plaatselijke verordening 2011 (APV 2011). In artikel 5:14 van de APV 2011 is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen, te laten nemen of te hebben. Verder worden in artikel 5:14, lid 2, van de APV 2011 de weigeringsgronden vermeld. Deze gronden geven het kader aan waarop een vergunningaanvraag wordt getoetst. Dit toetsingskader is als volgt nader uitgewerkt en wordt als zodanig gebruikt bij de toetsing van vergunningaanvragen.
Openbare orde
De aanwezigheid van een standplaats op zich en de aantrekkende werking die ervan uit kan gaan, kan een verstoring van de openbare orde opleveren door bijvoorbeeld vervuiling van de omgeving, de aanwezigheid van publiek en geluidoverlast. Een standplaats moet bijvoorbeeld geen aanzuigende werking hebben op (hang)jongeren De gemeente kan, in het belang van de bescherming van de openbare orde rekening houden door bijvoorbeeld standplaatsen te spreiden, en een bepaalde afstand van de standplaats ten opzichte van woningen in acht te nemen. Afhankelijk van de soort standplaats (heeft deze bijv. aantrekkingskracht op jongeren of leidt de standplaats tot veel verkeersbewegingen) kunnen nadere voorschriften worden gesteld of kan zelfs de vergunning geweigerd worden
Openbare veiligheid
Wanneer een standplaats op een onoverzichtelijke locatie wordt ingenomen kan er sprake zijn van een onveilige (verkeers)situatie. Om te voorkomen dat de verkeersvrijheid- en/of veiligheid in het geding komt, worden standplaatslocaties vooraf getoetst aan de volgende verkeersaspecten:
geen standplaats op kruispunten, op hoeken van straten, onoverzichtelijke punten en dergelijke;
er mogen geen verkeersborden en verkeerslichten aan het oog worden onttrokken; geen standplaats op een rijbaan of langs een weg binnen 25 meter, gemeten langs het trottoir vanuit een bocht;
geen standplaats langs een weg als dat de doorstroming van het verkeer belemmert; geen standplaats op het trottoir/voetgangersgebied als voor het voetgangersverkeer daardoor minder dan 1,5 meter loopruimte overblijft;
een standplaats mag geen blokkade opleveren voor hulpverleningsvoertuigen van brandweer, ambulancediensten en dergelijke. Voor de hulpverleningsdiensten moet minimaal 3,5 meter vrij gehouden worden.
In het kader van de brandveiligheid geldt bij een standplaatslocatie met bak- en braadactiviteiten of aanwezigheid gastanks of verwarmingselementen een minimale een afstand van 5 meter vanaf de dichtstbijzijnde gevel.
Geen standplaats direct voor toegangen of nooduitgangen van winkels, woningen en bedrijven.
Het innemen van een standplaats op een parkeerplaats mag niet leiden tot aantoonbare onnodige parkeerdruk. Als daartoe aanleiding is kan naast de adviesvraag aan de politie en de wijkregisseur, nader advies worden gevraagd aan een verkeerdeskundige.
Volksgezondheid
Ter bescherming van de volksgezondheid controleert de nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) of de regels van de Warenwet worden nageleefd door vergunninghouders die hoofdzakelijk etenswaren verkopen vanuit de standplaats. Bij overtreding van de Warenwet kan de NVWA maatregelen nemen. De NVWA kan bijvoorbeeld een waarschuwing geven of een bestuurlijke boete opleggen.
Aan de hand van rapporten van de NVWA kan een standplaatsvergunning geweigerd worden als het aannemelijk is dat de volksgezondheid in het geding is bij het verlenen van de vergunning.
Bescherming van het milieu
Een standplaats valt onder de werking van het activiteitenbesluit Wet milieubeheer. Hierin zijn voorschriften opgenomen ter bescherming van het milieu, waaraan de vergunninghouder dient te voldoen, onder andere ten aanzien van afval(water), geluid en lucht. Verder moet ook rekening gehouden worden met de Afvalstoffenverordening. Een weigeringsgrond op grond van de APV op het terrein van milieu is afhankelijk van hetgeen in voornoemde regelgeving is geregeld. Onderwerpen die in de Wet milieubeheer zijn geregeld, moeten via deze wetgeving worden gehandhaafd en niet via de APV.
Redelijke eisen van welstand
Een standplaats moet in goede staat van onderhoud verkeren. Wanneer een standplaats het uiterlijk aanzien van de omgeving of het straatbeeld zodanig verstoort dat daardoor het karakter van de omgeving wordt aangetast kan dat aanleiding zijn om een vergunning te weigeren. Voor karakteristieke of architectonische locaties kan bepaald worden dat daar geen of onder bepaalde voorwaarden standplaatsen mogen worden ingenomen ter bescherming van het aanzien. Als daartoe aanleiding is kan de dienst Stedelijke Ontwikkeling om advies gevraagd worden.
Verzorgingsniveau.
Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van concurrentieverhoudingen niet als huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. In het toedelen van standplaatsen zal echter wel gestreefd worden naar een gevarieerd aanbod voor de consument wanneer er meerdere standplaatsen in de directe omgeving van elkaar worden ingenomen. Weigeren van een vergunning voor het innemen van een vaste standplaats in verband met het verzorgingsniveau voor de consument kan slechts geaccepteerd worden in twee situaties:
wanneer er een nieuw winkelcentrum opgezet wordt;
of er binnen het verzorgingsgebied nog slechts één winkel gevestigd is in een bepaalde branche en deze winkel dreigt te verdwijnen door verlening van de vergunning. Hierdoor komt het verzorgingsniveau ter plaatse in het gedrang.
Of sprake van een redelijk verzorgingsniveau voor de consument, wordt bekeken vanuit de positie van de consument en niet vanuit de positie van de winkeliers. Uit de jurisprudentie blijkt dat de beleidsregel om de eerste vijf jaar na opening van een nieuw winkelcentrum binnen een straal van 500 meter geen standplaatsvergunningen te verlenen voor branches die zich in het winkelcentrum hebben gevestigd, niet onredelijk is. (LJN: BD8539) Deze lijn wordt gevolgd in dit beleid.
Rekening houdend met bovengenoemde kaders is in de volgende hoofdstukken verder vorm gegeven aan het standplaatsenbeleid.