Er bestaat geen wettelijke verplichting voor gemeentes om speelplekken aan te leggen. Buitenspelenzelfiswel(ennietvoorniets) een recht! Jeugdigen hebben net als volwassenen behoefte aan en recht op mogelijkheden om te ontspannen en te recreëren.
Dit recht is vastgelegd in artikel 31 van het Internationale Verdrag voor De Rechten van het Kind, dat in 1995 door de Nederlandse overheid is geratificeerd.
“Artikel 31 van de Rechten van het Kind (VN): Het kind heeft recht op rust en vrije tijd, om te spelen en op recreatie, en om deel te nemen aan kunst en cultuur.”
Het voorzien in formele speelplekken is een aanbeveling om buitenspelen te faciliteren en te stimuleren. Een gemeente is vrij om hier invulling aan te geven. Voor de inrichting van de formele speelplekken is wel specifieke wetgeving vastgesteld in de vorm van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (WAS). Hierin staat onder andere:
Iedereen die te maken heeft met de ontwikkeling, het beheer of de (veiligheid) inspecties van speelruimte en -toestellen moet zich aan het WAS houden.
In het WAS staat dat speelplekken en de toestellen veilig moeten zijn, bij plaatsing en in beheer.
Hierbij wordt verwezen naar de Europese normen voor speeltoestellen (o.a. EN 1176). Als een toestel voldoet aan de gestelde normen, wordt verondersteld dat het toestel veilig is. Een producent of beheerder kan ook op een andere wijze voldoen aan het vereiste veiligheidsniveau (bijvoorbeeld door een risicoanalyse uit te laten voeren). Dit dient dan wel te worden geregistreerd.
Om tijdens de levensduur van een speelplek te voldoen aan het WAS moeten speeltoestellen periodiek geïnspecteerd en goed onderhouden worden.
Van elke speelplek en elk speeltoestel moet een registratie bijgehouden worden van de inspecties en het onderhoud maar ook van bijvoorbeeld reparaties en ongevallen.