Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 1

Algemene regels

Onderdeel van Criteria van gevallen waarbij wordt afgezien van preventief welstandstoezicht

Artikel 1.1 Begrippen 1.1.1 Achtererfgebied Erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw. 1.1.2 Bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. 1.1.3 Bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond en bedoeld is om ter plaatse te functioneren. 1.1.4 Dakkapel Een uitspringend dakvenster, bedoeld om de lichtinval te verbeteren en het woonoppervlak te vergroten, aangebracht op het hellende dakvlak en minimaal aan de onder en bovenzijde omgeven door het betreffende dakvlak. Dakvergrotingen die in de goot staan, of zelfs daaronder, of die boven de bouw uitsteken zijn dus geen dakkapellen. 1.1.5 Daknok Hoogste punt van een schuin dak. 1.1.6 Dakvoet Laagste punt van een schuin dak. 1.1.7 Erf Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. 1.1.8 Erf- of perceelafscheiding Een gebouwde voorziening van enig materiaal bedoeld om een perceel of erf, of een deel daarvan, af te scheiden. Een erf- of perceelafscheiding hoeft dus in principe niet alleen geplaatst te worden op een perceelgrens om als zodanig te worden opgevat. Is een afscheiding bijvoorbeeld geplaatst in het midden van een tuin dan wordt deze ook beschouwd als een erf- of perceelafscheiding. Onder een erf- of perceelafscheiding wordt verder ook verstaan een rasterwerk waarlangs beplanting groeit. 1.1.9 Gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.1.10 Hoofdgebouw Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.1.11 Openbaar toegankelijk gebied Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer. 1.1.12 Peil a.. Voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg, pad of stoep grenst (dat wil zeggen dat er geen ruimte zit tussen de hoofdtoegang en de weg, het pad of de stoep): de hoogte van die weg, dat pad of die stoep ter plaatse van die hoofdtoegang. b.. Voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan een weg, pad of stoep grenst: de hoogte van het afgewerkte maaiveld ter hoogte van de hoofdtoegang na voltooiing van de bouw. Bij een aangebouwd bijbehorend bouwwerk geldt de hoofdtoegang van het hoofdgebouw. c.. Voor een bouwwerk waarbij geen sprake is van een toegang: het gemiddelde afgewerkte maaiveld ter plaatse van dat bouwwerk. d.. Voor erf- of perceelafscheidingen, tuinhekken, (tuin)muren en keermuren: het afgewerkte terrein ter plaatse van elk gedeelte van dat bouwwerk (de voet van de erf- of perceelafscheiding etc., gemeten aan de laagste zijde). Plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van de erf- of perceelafscheiding dienen buiten beschouwing te worden gelaten. Dit geldt ook voor kunstmatig aangebrachte ophogingen van enkele tientallen centimeters breed en hoog ten behoeve van het plaatsen van een erf- of perceelafscheiding. 1.1.13 Voorerfgebied Erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied. 1.1.14 Voorgevellijn Een lijn die gelijk loopt aan de naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan. Er is dus maar één gevel van het hoofdgebouw als voorgevel aan te merken. Als aanvullende bepaling geldt dat de afstand tussen de voorgevellijn(en) en het openbaar toegankelijk gebied nooit korter mag zijn dan de kortste afstand tussen het hoofdgebouw en dat openbaar toegankelijk gebied. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer een hoofdgebouw niet haaks op een weg of twee wegen staat. In een dergelijk geval loopt de voorgevellijn daar evenwijdig langs het openbaar toegankelijk gebied aan die zijde.

Rechtspraak bij dit artikel