**1..** De bevoegdheden als bedoeld in artikel 1 worden niet uitgeoefend indien het college van
burgemeester en wethouders, de betrokken portefeuillehouder, de burgemeester voor zover het een deze als zodanig toegekende bevoegdheid betreft, aan de politiechef van de Nationale Politie, regionale eenheid Oost-Nederland of de gemandateerde kenbaar heeft gemaakt dat de te nemen beslissing aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden voorgelegd.
**2..** De functionaris aan wie de bevoegdheid is opgedragen legt een besluit in ieder geval vooraf aan het bevoegde bestuursorgaan voor indien:
de functionaris van oordeel is dat de gevraagde vergunning, ontheffing of verklaring van geen bezwaar moet worden geweigerd;
de te nemen beslissing afwijkt van bestaand beleid, richtlijnen of voorschriften;
het voornemen bestaat tot aanvulling of wijziging van bestaand beleid, richtlijnen of
voorschriften;
uit de te nemen beslissing niet voorziene financiële of andere belangrijke consequenties kunnen voortvloeien;
tijdens de voorbereiding van het besluit naar voren komt dat daartegen hoogstwaarschijnlijk bezwaar of beroep zal worden ingesteld;
het een stuk betreft dat geen routinematig karakter heeft, gericht aan de Kroon, Ministers, Staatssecretarissen, de Raad van State, de Nationale Ombudsman, de Commissaris van de Koningin en Gedeputeerde Staten.
3. In de situatie als genoemd in lid 2, onder a legt de betrokken functionaris het besluit samen met zijn advies aan het bevoegde bestuursorgaan voor. In de overige situaties vindt voorafgaand overleg tussen de betrokken functionaris en het bestuursorgaan plaats.
4. Indien bij een te nemen beslissing een gemeentelijke dienst belang heeft of de betreffende zaak het taakgebied van een gemeentelijke dienst raakt, legt de mandataris de zaak vooraf aan het hoofd van de betrokken dienst of aan de door hem aangewezen functionaris van die dienst voor. Indien met deze geen overeenstemming wordt bereikt, legt de betrokken functionaris de zaak aan het bevoegde bestuursorgaan of de betrokken portefeuillehouder voor.
5. De uitgaande stukken worden als volgt ondertekend:
Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem,
namens deze,
gevolgd door de functie-aanduiding en de naam van de functionaris en zijn handtekening
of
De burgemeester van Arnhem,
namens deze,
gevolgd door de functie-aanduiding en de naam van de functionaris en zijn handtekening