Voor het toetsen of een peuter in aanmerking komt voor een gesubsidieerde peuterplek dient de aanbieder vast te stellen of ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag. Dit doet de aanbieder aan de hand van inkomensverklaring(en) van (bei)de ouder(s).
Indien aangetoond kan worden dat er sprake is van een eenverdiener en er wordt geen inzicht verschaft in de hoogte van het inkomen door middel van een inkomensverklaring, kan een kind wel geplaatst worden en ontvangt de aanbieder subsidie voor deze peuterplek. De ouder valt dan automatisch in de hoogste inkomenscategorie.
De aanbieder toetst bij de ouders of de peuter niet al bij een andere kinderopvangorganisatie een gesubsidieerde peuterplek bezet. Is dat wel het geval, dan is een tweede gesubsidieerde plek voor de desbetreffende peuter niet mogelijk.
Als de inkomenssituatie zodanig wijzigt dat ouder(s) in aanmerking komen voor de Kinderopvangtoeslag, dan vervalt het recht op een gesubsidieerde peuterplek (m.u.v. een VE-geïndiceerde peuterplek waar 10 uren wel subsidiabel zijn). Ouders zijn verplicht dit te melden aan de aanbieder.
Wanneer een verlaging van het inkomen zodanig is dat ouders in een lagere inkomenscategorie vallen, kan bij de aanbieder een aanvraag tot herziening van de ouderbijdrage worden gedaan op basis van de meest recente loongegevens, loonstrook, uitkeringsbeschikking of op basis van de meest recente inkomensverklaring.
Indien sprake is van inkomenswijziging door werkloosheid, kunnen kinderopvanggerechtigden nog gedurende zes maanden aanspraak maken op Kinderopvangtoeslag. Nadat deze termijn is verstreken kunnen zij in aanmerking komen voor de subsidieregeling peuteropvang.
Artikel 7
Toetsing recht op een gesubsidieerde peuterplek
Onderdeel van Subsidieregeling kindgebonden financiering peuteropvang en voorschoolse educatie gemeente Molenlanden 2022