Een gevonden voorwerp wordt teruggegeven, als:
De ambtenaar objectief kan vaststellen dat de eiser de rechthebbende van het voorwerp is, en;
Het voorwerp na registratie ervan niet door de politie is gevorderd in verband met een vermoedelijk misdrijf, en;
De eiser of de rechthebbende zich kan legitimeren.
Als de eiser in een andere gemeente woont en de ambtenaar kan vaststellen dat de eiser de rechthebbende is, dan kan de gemeente het gevonden voorwerp opsturen. De verzendkosten kunnen op eiser worden verhaald.
Een bij de gemeente in bewaring gegeven voorwerp waarvan de bewaartermijn is verstreken wordt niet aan de eiser c.q. rechthebbende teruggegeven, maar vervalt aan de gemeente. Tenzij de gemeente na de bewaartermijn redelijkerwijs in staat is de zaak ter beschikking te stellen.
Indien een voorwerp wordt opgeëist dan dient eiser of rechthebbende de kosten van bewaring te voldoen aan de gemeente. De gemeente verstrekt een middels lid 5 vastgesteld overzicht van de genoemde kosten en stelt eiser daarbij in de gelegenheid de kosten binnen een maand te voldoen. Zolang de kosten van bewaring niet zijn voldaan wordt afgifte van de zaak opgeschort. Indien deze kosten niet binnen een maand na het verzenden van de factuur zijn voldaan, vervalt de zaak aan de gemeente.
Bij het bepalen van de hoogte van de kosten van bewaring hanteert het college als richtlijn:
Dat voor zaken die minder dan 1 m3 in beslag nemen geen kosten in rekening worden gebracht;
Dat voor zaken die meer dan 1 m3 in beslag nemen € 2,00 per dag bewaringskosten in rekening worden gebracht;
Dat voor zaken die meer dan 5 m3 in beslag nemen de daadwerkelijke kostprijs van bewaring en/of transport in rekening worden gebracht.