Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Met andere woorden, de plaats van waaruit het kind de school bezoekt. Het is daarbij niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven.
Niet ter zake doet of de ouders, voogden of verzorgers in de gemeente hun officiële verblijf hebben in de zin van de artikelen 10 en verder van Boek I van het Burgerlijk wetboek. Dit betekent dat als een leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft in deze andere gemeente (in beginsel) bekostiging van de vervoerkosten van deze leerling aangevraagd moet worden. ( dit geldt overigens niet voor een leerling die bijvoorbeeld vanwege een vakantie van de ouders tijdelijk elders verblijft)
3.1.1. Tweede opstap- of afzetadres
Regel
Het college verstrekt alleen bekostiging van vervoer van een tweede opstap- of naar een tweede afzetadres als aan de volgende criteria wordt voldaan:
een leerling recht heeft op bekostiging van het vervoer van de woning (zie 3.1) naar school en/of vice versa;
het tweede adres voldoet aan het afstandscriterium uit de verordening;
het opstap- of afzetadres structureel is. Structureel betekent in dit verband dat er sprake moet zijn van een vast, (twee-) wekelijks terugkerend patroon;
het tweede adres zich binnen de gemeente bevindt;
er geen voorliggende voorziening is die het vervoer van het tweede adres naar school of van school naar het tweede adres voor haar rekening neemt of zou moeten nemen.
3.1.2. Twee woningen
Een leerling kan twee woningen hebben in de zin van de verordening. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van co-ouderschap, waarbij het kind zowel bij de ene als bij de andere ouder verblijft, is er sprake van twee hoofdverblijven. Waar de leerling staat ingeschreven doet niet ter zake; doorslaggevend is de feitelijke verblijfplaats van de leerling.
Het college toetst de aanvraag aan de eigen verordening leerlingenvervoer, waarbij onder meer wordt bekeken of er sprake is van een woning in de zin van de verordening, of de school wel de dichtstbijzijnde toegankelijke is en of voldaan is aan de afstandsgrens. Het komt voor dat slechts in één van beide gemeenten aanspraak op leerlingenvervoer bestaat, doordat de school vanuit de andere gemeente niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school is.
Regel
Om aanspraak te maken op bekostiging van leerlingenvervoer moet iedere ouder afzonderlijk, voor de dagen dat het kind doordeweeks bij hen verblijft, een aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is.
3.1.3. Tijdelijk verblijf
Regel
Als vooraf vaststaat dat een leerling gedurende een korte periode (niet meer dan zes weken) in een andere gemeente (B) verblijft en zijn oude school blijft bezoeken, dan wordt dit verblijf aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente (A). Deze gemeente (A) zal dan ook het vervoer gedurende deze weken blijven verzorgen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat het kind naar zijn eigen school blijft gaan. Is de afstand van het tijdelijk verblijf van de leerling naar school kleiner dan de kilometergrens die gemeente A hanteert, dan zal uiteraard (tijdelijk) geen aanspraak op bekostiging van vervoerkosten bestaan.
Een andere gemeente (buiten de regio) hoeft dit beleid niet te hanteren. In dat geval bepaalt de gemeente waar de leerling feitelijk (kortdurend) verblijft of het leerlingenvervoer van de leerling wel of niet wordt vergoed.