Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.6

Artikel 3.6.3

Het bestemmingsplan

Onderdeel van Antennebeleid

Aanvragen voor het plaatsen van vergunningplichtige antennes worden getoetst aan het bestemmingsplan. Voor de activiteit bouwen van een bouwwerk (zoals het bouwen van een opstelpunt, een zendmast, voor een antenne-installatie) welke in strijd het met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, zijn er verschillende mogelijkheden om een vergunning te verlenen waarin wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Binnenplans afwijken In een bestemmingsplan kan aangegeven zijn in welke gevallen en onder welke voorwaarden van de voorschriften afgeweken kan worden voor het plaatsen van vergunningplichtige antenne-installaties. In dergelijke gevallen kan een vergunning worden verleend waarin staat dat er binnenplans afgeweken mag worden van het bestemmingsplan (art. 2.1, lid 1 sub c juncto art 2.12, lid 1, onder a, onder 1° Wabo). Buitenplans afwijken via reguliere voorbereidingsprocedure In bijlage II, artikel 4 van het Besluit omgevingsrecht is een lijst met zogenaamde planologische kruimelgevallen opgenomen. Voor deze afwijkingen van het bestemmingsplan kan een reguliere procedure worden doorlopen. Antenne-installaties niet hoger dan 40 meter staan in deze kruimellijst. (art. 2.1, lid 1, onder c juncto art. 2.12, lid 1, onder a, onder 2° Wabo). Buitenplans afwijken van tijdelijke aard De Wabo biedt verder voor tijdelijke voorzieningen de mogelijkheid om van de voorschriften van het bestemmingsplan af te wijken, bijvoorbeeld voor een tijdelijke zendmast. Het tijdelijk geplaatste bouwwerk moet uiteindelijk weer verwijderd worden of het tijdelijke gebruik beëindigd (art. 2.1, lid 1, onder c juncto art. 2.12, lid 2 Wabo). Op basis van jurisprudentie kan gesteld worden dat voor antenneplaatsing korter dan eenendertig dagen geen sprake is van een bouwwerk en daarom geen vergunning is vereist. Buitenplans afwijken via uitgebreide voorbereidingsprocedure Voor alle overige gevallen kan een gemeente afwijken van het bestemmingsplan als de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat (art. 2.1, lid 1, onder c juncto art. 2.12, lid 1, onder a, onder 3° Wabo). Om in deze gevallen een omgevingsvergunning te kunnen verlenen dient de uitgebreide voorbereidingsprocedure doorlopen te worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel