2.2.1De basis: vorming van het landschap
In de eerste ijstijd zijn grote massa’s aarde door het oprukkende ijs voortgestuwd. Zo ontstond onder andere de stuwwal van Doorwerth, Oosterbeek en Renkum. De bevroren ijsmassa’s belemmerden de Rijn in noordelijke richting te blijven stromen. Noodgedwongen zocht het water een andere uitweg, waarbij grote delen van de oorspronkelijke stuwwal zijn weggeslagen. De steile helling bij Heveadorp is op deze wijze gevormd.
Toen er een warmere periode aanbrak smolt het ijs, waarbij het smeltwater in zuidelijke richting wegstroomde, over de gevormde stuwwallen heen. Het smeltwater voerde grote hoeveelheden zand en grind met zich mee, dat in waaiervorm aan de andere zijde van de stuwwal afgezet werd. Het relatief vlakke gebied nabij Wolfheze is een voorbeeld van een dergelijke sandr (spoelzandwaaier). Dit gebied wordt omringd door de stuwwallen van Wageningen tot aan Ede, Oud-Reemst en de oostelijke en zuidelijke Veluwe. Diverse beken, die hun oorsprong deels op de stuwwallen hebben, doorsnijden de waaier. Voorbeelden hiervan zijn de Heelsum-sebeek en de Molenbeek.
In de laatste ijstijd is er geen landijs gevormd. Wel was de grond bevroren. Zodanig zelfs dat tijdens de zomers alleen de bovenste laag ontdooide. Hierdoor kon het dooiwater niet in de bodem wegzakken, waardoor de bovenste laag met water verzadigd werd. Hierdoor verslapte deze laag en was het mogelijk dat deze laag samen met het dooiwater van de heuvels afstroomde. Zo zijn de diepe dalen vanaf de Hemelse berg en Mariëndaal en het Seelbeekdal ontstaan. Ook ontstonden op deze wijze het Renkums beekdal en het Heelsums beekdal in de vlakkere sandr.
Veel later werd door de wind in de beekdalen en tegen de stuwwallen fijn materiaal afgezet. Deze gebieden zijn later deels benut als landbouwkavels.
2.2.2Menselijke ingrepen leiden tot transformatie
Rond het begin van de jaartelling heeft het landschap een open karakter met grazige vlakten, heidevelden en bossen. De stuwwalgronden, spoelzandwaaiers, beekdalen en stuwwalhellin-gen waren van oudsher bebost.
Rond de 9e eeuw vinden de eerste menselijke ingrepen plaats: vanuit ‘hoven’, die vanaf deze tijd door kloosters werden geëxploiteerd, werd bos, heide en woeste grond ontgonnen. Vanaf de 13e eeuw werden dergelijke activiteiten vooral door de ‘marken’ gereguleerd. Dit waren organisaties die regels opstelden voor het gebruik van de woeste gronden. Een voorbeeld hiervan is de Renkumse heide (ten noorden van Renkum), die tot 1911 als markegrond in stand gehouden is.
Toch kon de markeorganisatie niet voorkomen, dat steeds meer gronden uitgegeven werden, waardoor verschillende gebieden zelfs met overbegrazing te maken kregen. Ook de Staat heeft haar steentje aan de ontginning bijgedragen: in de 16e eeuw werden woeste gronden uitgegeven om de staatskas te spekken.
Hierna zijn grote landgoederen ontstaan. De domeinbossen, die aan particulieren werden uitgegeven, werden ontbost en veranderden in heidevelden en bouwlanden. Van een eenduidig verkavelingspatroon is geenszins sprake door de grillige hoogtelijnen en het drassige rivierdal, dat deels is ingedijkt. In de beekdalen en de uiterwaarden waren weiden aanwezig. Bovendien leverden de uiterwaarden klei voor de baksteenfabricage. Vanaf 1600 werden er langs de beken papiermolens gebouwd, die gebruik maakten van het zuivere water, dat van de stuwwal afstroomde.
Tot het midden van de 19e eeuw werd het landschap gekenmerkt door openheid: grote aaneengesloten heidevelden met hier en daar stuifzandgebieden. Door de introductie van de kunstmest kreeg de ontginning na 1850 een nieuwe impuls. Grote delen van de heidevelden zijn in het begin van de 20e eeuw opnieuw bebost voor mijnhout (voorbeelden hiervan worden nog aangetroffen rondom de Renkumsebeek en in het gebied ten oosten van de A50). Daarnaast heeft het verstedelijkingsproces in de tweede helft van de 20e eeuw een grote invloed uitgeoefend op het landschap.
2.2.3De bewoningsgeschiedenis
Al voor het begin van de jaartelling is er sprake van min of meer permanente bewoning op de Veluwe. Waarschijnlijk waren de eerste bewoners veeboeren. Zij vestigden zich meestal aan de rand van de Veluwe, op een hoogte van 10 tot 30 meter boven NAP. De omvang van de nederzettingen was overigens zeer beperkt. Gesteld kan dan ook worden dat de Veluwe gedurende de eerste zes eeuwen van onze jaartelling zeer dun bevolkt was.
De echte bewoningskernen ontstaan het eerst op de overgang van nat naar droog. In de gemeente zijn dit de kernen Renkum (970), Heelsum (1031) en Oosterbeek (tweede helft 10e eeuw). Van bewoningskernen kan eigenlijk nog nauwelijks gesproken worden, omdat de nederzettingen bestaan uit één tot enkele boerderijen met in de directe nabijheid een klein aantal percelen akkerland. Op deze manier ontstaan geleidelijk aan de karakteristieke esdorpen met hun enken of kampen.
Op de overgang van droog naar nat verschijnen in linten (Renkum) of meer verspreid (Oosterbeek) boerderijen, omringd door akkers, die begrensd zijn door houtwallen. Op grotere afstand liggen de heidevelden en bossen. De graslanden liggen in de natte, lagere gebieden.
De ontginningen uit de late middeleeuwen werden in de 17e eeuw verder ontwikkeld tot de landgoederen de Oorsprong en de Sonnenberg. Reeds in de 17e eeuw is de Veluwerand een aantrekkelijk woon- en recreatiegebied. Hiervan getuigen de vele oude buitens met de daarbij behorende bossen en aangelegde laanbeplantingen langs en op de Veluwe.
De landgoederen de Hemelse Berg en de Pietersberg ontstonden in 1728 uit een gedeelte van het ‘goed ter Aa’. Het landgoed Hartenstein komt voort uit de herberg ‘het Rode hert’ (1580). Langs de Renkumse beken ligt ter hoogte van de Bennekomseweg het buurtschap Harten. Dit buurtschap en zijn gronden omvatten het beekdal en de heidegronden ten westen van de Schaapsdrift. In het begin van de 18e eeuw ontstaan uit deze gronden het landgoed Quaden-oord (1703) en de Keyenberg.
Vanaf 1850 ontstaat een steeds grotere belangstelling voor het realiseren van buitens en villa’s langs het gehele lint van de weg Arnhem-Utrecht, die in Renkum verschillende benamingen heeft. Uit deze periode stammen ook de landgoederen Dreyen en Bato’s wijk bij en in Oosterbeek. In de 20e eeuw zijn vele ervan (deels) weer verkaveld en bebouwd.
De periode na de Tweede Wereldoorlog kenmerkt zich door uit- en inbreidingen. Zodoende ontstond de min of meer aaneengesloten bebouwing van de dorpen. Op de afzonderlijke dorpen wordt verderop nader ingegaan.