Na indiening van het bouwplan van de initiatiefnemer tot woningbouw zal de nakoming van de bepalingen in deze verordening worden gewaarborgd door middel van de vastlegging ervan in de intentie- dan wel de anterieure overeenkomst tussen het college en de betreffende initiatiefnemer tot woningbouw.
In de overeenkomst bedoeld als lid 1 worden in ieder geval de volgende afspraken vastgelegd:
Het op grond van artikel 4 lid 1 en 4 verplichte aandeel sociale huurwoningen en middeldure huur-/ koopwoningen;
Een exploitatieperiode van minimaal 25 jaar voor de onder sub a bedoelde huurwoningen op straffe van een boete ter hoogte van de in artikel 12 lid 1 genoemde afkoopsom per woning per maand;
De woningtoewijzing aan de doelgroep in het geval dat de initiatiefnemer het aandeel sociale huurwoningen verkoopt aan een woningcorporatie;
De woningcorporatie die de onder sub a bedoelde sociale en/of middeldure huurwoningen realiseert dan wel aan welke woningcorporatie of marktpartij deze woningen door de initiatiefnemer worden overgedragen;
Het college verleent pas planologische medewerking aan het bouwplan nadat de overeenkomst met de betreffende initiatiefnemer is afgesloten.
Voorafgaand aan het sluiten van een in lid 1 genoemde overeenkomst initieert de initiatiefnemer met de gemeente en de woningcorporaties het in artikel 7 lid 2 genoemde overleg over de ontwikkeling van een haalbaar woningbouwprogramma.
De gemeente toetst voorafgaand aan het sluiten van de met de marktpartij af te sluiten intentieovereenkomst of het in artikel 7 lid 2 genoemde overleg heeft plaatsgevonden.
HOOFDSTUK 2
Artikel 9
Overeenkomst woningbouwprogramma
Onderdeel van Verordening sociale en middeldure woningbouw Leidschendam-Voorburg 2022