Het op grond van artikel 4 lid 1 en 4 verplichte aandeel sociale en middeldure huurwoningen dient bij bouwplannen van 30 woningen of meer na oplevering door of namens de initiatiefnemer ter exploitatie aan een woningcorporatie te worden overgedragen.
Binnen 3 maanden na overleg met de gemeente en de initiatiefnemer meldt de beoogde woningcorporatie of zij in beginsel al of niet bereid is tot afname en exploitatie van het in artikel 4 lid 1 en 4 verplichte aandeel sociale en middeldure huurwoningen en daartoe een onderzoek naar de financiële haalbaarheid ervan te starten.
Indien de in lid 2 bedoelde woningcorporatie in beginsel bereid is tot afname en exploitatie van het in artikel 4 lid 1 en 4 verplichte aandeel sociale en middeldure huurwoningen, rapporteert zij gedurende de intentiefase en in ieder geval voor het afsluiten van de anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer over de uitkomsten van het in lid 2 bedoelde onderzoek naar de financiële haalbaarheid.
Indien de initiatiefnemer niet binnen de in lid 3 bedoelde periode voor het afsluiten van de anterieure overeenkomst een woningcorporatie (in beginsel) bereid heeft gevonden het in artikel 4 lid 1 en 4 bedoelde verplichte aandeel sociale en middeldure huurwoningen binnen het bouwplan ter exploitatie over te nemen, dan meldt de initiatiefnemer dit schriftelijk en onderbouwd aan het college. De schriftelijke melding van de initiatiefnemer dient vergezeld te gaan van schriftelijke verklaringen van alle door de initiatiefnemer geconsulteerde woningbouwcorporaties waaruit blijkt:
dat zij niet bereid zijn tot afname en/of exploitatie van de betrokken woningen;
welke redenen hieraan ten grondslag liggen;
welke partij zorgdraagt voor exploitatie en beheer van de betrokken woningen.
In dit geval blijft het bepaalde in de leden 5 tot en met 7 van dit artikel verder buiten toepassing en is op het desbetreffende bouwplan het bepaalde in artikel 8 van toepassing.
Wanneer de woningcorporatie en de initiatiefnemer het beoogde bouwplan financieel haalbaar achten en voornemens zijn het bouwplan tot uitvoering te brengen, dan doen zij via een schriftelijke, door het college daartoe digitaal beschikbaar gestelde, standaardverklaring gezamenlijk een voorstel tot woningbouw aan het college.
Het college toetst het in lid 5 bedoelde voorstel aan de bepalingen in deze verordening.
Het college verleent pas medewerking aan het bouwplan, onder meer maar niet uitsluitend in de vorm van een planologische procedure en het afsluiten van een anterieure overeenkomst, nadat aan de hand van de in lid 5 bedoelde toetsing vast is komen te staan dat het bouwplan volledig in overeenstemming is met deze verordening. Aan de medewerking kan het college voorwaarden verbinden.
HOOFDSTUK 2
Artikel 7
Exploitatie sociale en middeldure huurwoningen door woningcorporatie
Onderdeel van Verordening sociale en middeldure woningbouw Leidschendam-Voorburg 2022