Volgens vaste jurisprudentie mag een gemeente aan verspreiding van stukken beperkingen stellen, mits er geen algemeen verbod op een bepaald verspreidingsmiddel (zoals het plakken) wordt gesteld. Door het realiseren van plakvoorzieningen wordt het plakken op Rendokasten, glasbakken, muren, kledingbakken en verkeersregelinstallaties en dergelijke strafbaar. Het uiteindelijke doel is dat helemaal niet meer op geplakt wordt, behalve op de daarvoor bestemde plakvoorzieningen. Dit kan, voorzover mogelijk, verwezenlijkt worden wanneer structureel en consequent wordt gecontroleerd en opgetreden tegen wildplakkers en de opdrachtgevers.
Artikel 33 van de Apv stelt dat het verboden is wild te plakken. Maar de moeilijkheid is op dit moment nog dat wel op heterdaad moet worden betrapt bij het plakken om de kosten van het schoonmaken vergoed te kunnen krijgen. Uit een aankondiging op een affiche kan meestal wel een opdrachtgever worden achterhaald, maar op het moment dat die ontkent opdracht te hebben gegeven tot plakken, kunnen we de schoonmaakkosten niet op die persoon verhalen, de schoonmaakkosten moeten dus op de plakker zelf verhaald worden. De Officier van Justitie wil dit soort zaken niet aan de rechtbank voorleggen, zodat verdere vervolging uitblijft. De vraag is of het redelijk is dat iemand die zonder toestemming andermans zaken bekladt en beplakt met aankondigingen voor eigen activiteiten die in hoofdzaak een commercieel karakter hebben niet strafbaar zou zijn, enkel en alleen omdat er geen gemeentelijke plakplaatsen aanwezig zijn. Privaatrechtelijk kan schade worden verhaald indien op eigendommen wordt geplakt.
Door de tekst van artikel 33 van de Apv aan te passen in combinatie met het realiseren van plakvoorzieningen kunnen (opdrachtgevers van) plakkers gericht worden aangepakt en worden gemeentelijke objecten veel minder beklad.
In artikel 33 van de Apv staat het nu volgende: 'Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen ofte bekladden' (lid 1) 'Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of een gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is een aanplakbiljet of een ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken of op andere wijze aan te brengen, met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen' (lid 2) 'Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift' (lid 3) 'De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage afte geven', (lid 4)
Lid 1 van artikel 33 zal vanaf 1 januari 2003 luiden: 'Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen ofte bekladden 'en opdracht daartoe te geven ofte laten bekrassen of laten te bekladden'. Dit verbod geldt niet voor de door de gemeente aangewezen plakplaatsen.