Voor bomen is de stedelijke omgeving verre van ideaal. Binnen de groeiplaats spelen vele andere belangen en functies en binnen de levensloop van een boom vinden veel en soms ingrijpende veranderingen plaats. Denk bijvoorbeeld aan wegverbredingen, het leggen van kabels en leidingen, het oprichten van bouwwerken, het versneld afvoeren van regenwater of het afvoeren van gevallen blad. Al deze zaken leiden ertoe dat een boom vaak niet goed groeit en al vroeg aftakelt. Aangenomen mag worden dat de ‘gemiddelde stadsboom’ in veel gevallen niet ouder wordt dan 40-50 jaar.
Voor een langere levensduur en betere bomengroei is het dan ook van belang om de natuurlijke groeiomstandigheden van bomen zoveel mogelijk te benaderen. Idealiter houdt dit in dat bomen vrijuit in de volle grond groeien met hieronder eventueel een halfopen of gesloten bodembedekkende beplanting en een strooisellaag waarin het gevallen blad kan verteren tot voor de boom belangrijke voedingsstoffen.
Figuur 15, Bomen in de straat in Renkum, Jan Peelenplantsoen (links) en Tamboer (rechts
In sommige gevallen is dit ideaalbeeld prima te realiseren. Met name in parken of bredere groenzones liggen hiervoor de mogelijkheden. Langs wegen, woonstraten en op pleinen moeten vaak concessies worden gedaan waarbij gezocht wordt naar oplossingen die het hiervoor geschetste ideaalplaatje zoveel mogelijk benaderen. Dit betekent bijvoorbeeld dat groeiplaatsconstructies worden toegepast die ervoor zorgen dat de betreffende boom voldoende ondergrondse groei-ruimte tot zijn beschikking heeft.
Aanleg en onderhoud van kabels en leidingen in of nabij de groeiplaatsen van bomen is een ander belangrijk aandachtspunt. In de praktijk vormt dit vaak de grootste bedreiging waardoor bomen ondanks alle inspanningen op andere gebieden, onherstelbare schade oplopen en korter leven of onvoldoende functioneren.
BELEIDSREGEL 8:Bij de aanplant van bomen geldt de ‘matentabel bomen (bijlage E) als richtinggevend voor de inrichting van de groeiplaats
Hierbij geldt als uitgangspunt dat ‘kwaliteit’ boven ‘kwantiteit’ gaat: beter enkele bomen met voldoende boven- en ondergrondse groeimogelijkheden, dan veel bomen zonder duurzaam toekomstperspectief. Belangrijk hierbij is wel om keuzes hierin in samenhang met het beleid voor ‘groenkwantiteit’ te bezien (zie beleidsregel 2)
BELEIDSREGEL 9:De bescherming van bomen is verankerd in de Bomenverordening waarbij de kap van bomen in principe vergunningsvrij wordt gesteld behoudens beschermwaardige bomen opgenomen op de lijst waardevolle bomen.
Achterliggende motivatie voor het invoeren van de ‘nee, tenzij’ benadering, is enerzijds het verminderen van de regeldruk (‘deregulering’) en anderzijds om meer aandacht te kunnen geven aan de beschermwaardige bomen. De volgende categorieën bomen (zowel van particulieren als gemeentelijke bomen) worden als beschermwaardig aangemerkt en blijven vergunningsplichtig:
**•.** Bomen vanaf een stamomtrek van 60 cm op 1.30 m1 stamhoogte.
**•.** Bomen van de lijst ‘Waardevolle bomen’ (betreft zowel gemeentelijke als particuliere bomen).
**•.** Bomen in de groenstructuur (‘hoofdbomenstructuur’, ‘wijkbomenstructuur’ of ‘markante boom of boomgroep’, zie separate groenstructuurkaarten) met uitzondering van de aangegeven beheervlakken15.
**•.** Bomen die voorkomen op de soortenlijst16. Niet genoemde soorten zijn ver-gunningsvrij, tenzij ze opgenomen op de lijst ‘Waardevolle bomen’.
I.ACTIE: Toevoegen bomen van de Waardevolle bomenlijst als afzonderlijke legenda-eenheid op groenstructuurkaarten.
BELEIDSREGEL 10: De gemeente adviseert op aanvraag particuliere eigenaren van bomen van de Waardevolle bomenlijst over instandhouding en onderhoud van de boom.
BELEIDSREGEL 11:Voor alle bomen in beheer bij de gemeenten geldt dat bij de uitvoering van werkzaamheden wordt gewerkt conform de uitgangspunten uit het ‘Handboek Bomen’ van het Norminstituut bomen.