Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.6

Beleid sortiment

Onderdeel van Groenstructuurplan 2017-2027 Gemeente Renkum

Toepassing van een variatie aan planten- en boomsoorten draagt bij aan de herkenbaarheid van wegen, buurten of gebiedsdelen. Voor een optimale visuele beleving en een klimaat bestendig sortiment is het wenselijk een goed evenwicht aan te brengen tussen eenvormigheid en afwisseling. De soortkeuze moet enerzijds bijdragen aan de gewenste beeldcontinuïteit en anderzijds voor voldoende afwisseling zorgen door accentsoorten toe te passen. Uitgangspunt is dat langs samenhangende structuurelementen (bv. verbindingswegen, hoofdwegen of historische wegen en paden) de soortkeuze ondersteunend is aan de continuïteit van het beeld. Voor wat betreft de individuele buurten of gebiedsdelen geldt dat de beplantingskeuze afgestemd dient te worden op het toegepaste stedenbouwkundige concept en wensen van bewoners en gebruikers van het groen. Zo is in het noordwesten van Doorwerth (‘de groene clusters) de keuze voor inheems bosplantsoen (bv. veldesdoorn, meidoorn) een voorwaarde terwijl voor de Middenlaan en omgeving (Heveadorp) juist toepassing van ‘ouderwetse’ cultuursoorten (bv. sier-appel, cultuurroos, struikganzerik) passend is. Op deze manier wordt bijgedragen aan de versterking van de differentiatie tussen de buurten onderling en aan de karakteristieken van de totale openbare ruimte. Afwisseling in soorten is behalve uit architectonisch oogpunt ook van belang uit oogpunt van beheer en onderhoud. Wanneer te veel nadruk ligt op één of enkele soorten is de impact van een speciale ziekte, aantasting of plaag erg groot. Voorbeelden zijn eikenprocessierups, iepziekte, essenziekte, bacterievuur, bloedingsziekte (paardenkastanje) of massaria (plataan). Hiermee wordt ook ingespeeld op effecten van klimaatveranderingen op beplanting. Variatie en een goed afgestemd sortiment kan ook bijdragen aan meer betrokkenheid van bewoners. Daadwerkelijk gebruik kunnen maken van het groen in de vorm van plukken van bloemen of fruit draagt daaraan bij. Als laatste kan voldoende afwisseling in soorten een bijdrage leveren aan de noodzakelijke biodiversiteit. Met name als het gaat om locaties die ecologisch van betekenis zijn, is het belangrijk om streekeigen plantmateriaal te gebruiken (zie ook §3.3). Dergelijk plantmateriaal kent een grotere genetische variatie en heeft aangetoond zich al eeuwen te kunnen aanpassen aan veranderende klimaatomstandigheden. Het hanteren van een ruime variatie in (bloeiende) natuurlijke en cultuurlijke soorten zorgt voor vergroting van de biotoopmogelijkheden in de stedelijke omgeving voor flora en fauna (bv. bijen en vlinders). Figuur 17, Oosterbeek, Stationsplein BELEIDSREGEL 13:Om de aansluiting op de specifieke beplantingskarakteristiek te waarborgen, hanteert de gemeente per dorp algemene richtlijnen voor de soortkeuze (zie dorpsdocumenten). BELEIDSREGEL 14:In zijn algemeenheid streeft de gemeente naar toepassing van bij- en vlindervriendelijke beplantingen en plantsoorten met een nutsfunctie (vruchten, noten, bloemschikken). K. ACTIE:In samenwerking met bewoners uitwerken van gedetailleerde sortiments-lijsten voor bij- en vlindervriendelijke beplanting en soorten met nutsfuncties, gecombineerd met de beplantingsrichtlijnen per dorp. Toepassing van specifieke boomsoorten en het patroon van planten draagt bij aan de herkenbaarheid van een bepaald wegtype (of de historische oorsprong ervan) en ondersteunt de ‘leesbaarheid’ van de bebouwde omgeving. Bijvoorbeeld het gericht toepassen van inheemse of cultuurlijke boomsoorten, onderscheid in boomsoort op droge en natte gronden, grote of kleinere bomen of éénrijig, tweerijig of in los verband geplante bomen zijn mogelijkheden die de gemeente Renkum inzet om het gewenste onderscheid tot stand te brengen. Zo is het streven om langs de wegen die de verbinding vormen met het buitengebied landschappelijke boomsoorten toe te passen als beuk, eik of linde. Langs woonstraten of buurtverbindingswegen is het uitgangspunt veelal de toepassing van cultuurlijke boomsoorten; dit is echter ook afhankelijk van de gewenste sfeer in de buurt (cultuurlijk-parkachtig of juist bosachtig). BELEIDSREGEL 15:Wegen die aansluiten op groene structuren in het buitengebied worden in principe beplant met landschappelijke boomsoorten; voor woonstraten wordt – met in achtneming van de algemene beplantingskarakteristiek – in principe gekozen voor cultuurlijke boomsoorten.

Rechtspraak bij dit artikel