3.2.2. Archeologische procedure
Indien wordt gebouwd of ontwikkeld in de Hoekse Waard, dan kan een aanvrager te maken krijgen met archeologische vondsten. Door wetgeving zijn procedures vastgelegd over hoe er met archeologische waarden omgegaan moet worden. Hiermee worden zoveel mogelijk verrassingen voorkomen en tegelijkertijd de archeologische waarden beter beschermd.
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning kan duidelijk worden dat een project bodemverstoring met zich meebrengt. In dat geval moet worden vastgesteld of er sprake is van een archeologische vindplaats. De werkzaamheden kunnen immers gevolgen hebben voor eventuele archeologische overblijfselen. Volgens de Monumentenwet 1988 is de aanvrager als bodemverstoorder verantwoordelijk voor het noodzakelijke archeologische onderzoek.
3.2.3. Archeologisch stappenplan
Een dergelijke archeologische procedure verloopt in verschillende stappen die voorafgaand en tijdens uitvoeringswerkzaamheden kunnen plaatsvinden.
3.2.4. Bureauonderzoek
Met een bureauonderzoek (BO) wordt een archeologische verwachting van een locatie geïnventariseerd en vastgesteld. Verder dient het BO om te bepalen welke vervolgstappen nodig zijn. Eventuele veldonderzoeken kunnen met het BO vroegtijdig in het plan worden ingepast zodat de voortgang bevorderd wordt.
3.2.5. Archeologisch Veldonderzoek
Als uit het bureauonderzoek blijkt dat er voor het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt en fysiek behoud van de eventuele archeologische resten niet realiseerbaar is, is een veldonderzoek nodig. Hierbij zijn, afhankelijk van de archeologische verwachting en het bouwplan zelf, verschillende varianten denkbaar.
Er kan sprake zijn van:
een Inventariserend Veld Onderzoek (IVO), een kortlopende ingreep om de verwachting uit het bureauonderzoek (BO) te toetsen. Uit de resultaten kan een Archeologische Opgraving volgen.
een Archeologische Opgraving (AO). Deze is bedoeld om de archeologische resten nauwkeurig te documenteren en te bergen als behoud in de bodem niet mogelijk is.
een Archeologische Begeleiding (AB). Deze vindt plaats als er geringe kans is op archeologische vondsten.
De duur van archeologisch veldonderzoek (IVO, AO en/of AB) is afhankelijk van de omvang en de ligging van de bouwlocatie.
3.2.6. Archeologisch Programma van Eisen
Voor elk gravend veldonderzoek moet een programma van eisen (PvE) worden opgesteld waarin de kwalitatieve randvoorwaarden en onderzoeksvragen voor het archeologisch veldwerk worden vastgelegd. Dit vormt de basis voor verdere planning en kostenraming. Het PvE is dan ook onderdeel van de procedure. Het laten opstellen ervan behoort tot de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer van het bouwplan. Controle van dit PvE dient door een senior archeoloog te worden gedaan.
Hoofdstuk
Artikel 3.2
Werkwijze archeologische projecten gemeente
Onderdeel van Beleidsnota Archeologie Hoeksche Waard