Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.1.8

Artikel 5.3

Verantwoording vrijstellingsgrenzen

Onderdeel van Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard

De Staatssecretaris van Cultuur heeft in de Wet op de archeologische monumentenzorg, als gevolg van het amendement van Van Vroonhoven-Kok, een ondergrens opgenomen van 100 m2. Andere overheden kunnen hier vanuit eigen inhoudelijke beweegredenen onder of boven gaan zitten. De provincie hanteert haar eigen ondergrenzen aan de oppervlakte van plangebieden voor het verlenen van vrijstelling van archeologisch onderzoek. Het voorontwerp provinciale verordening stelt dat voor verstoringen van de bodem in wettelijk beschermde archeologische terreinen en in historische stads- en dorpskernen altijd archeologisch onderzoek dient plaats te vinden; in niet-wettelijk beschermde AMKterreinen en in terreinen met een redelijke tot zeer grote kans op archeologische sporen geldt een onderzoeksverplichting voor verstoringen die een oppervlakte groter dan 100 m2 en een verstoringsdiepte van meer dan 30 cm beneden het maaiveld inhouden. In gebieden met een lage kans op archeologische sporen gelden geen beperkingen. Gemeenten hebben als enige richtlijn de 100 m2 uit de Wet op de archeologische monumentenzorg en zijn vrij om daar beredeneerd van af te wijken. De keuze voor een bepaalde richtlijn is niet zozeer een archeologische, maar eerder een maatschappelijke/bestuurlijke keuze. Hiermee hangt nauw samen het risico dat een gemeentebestuur wil nemen: hoe groter de oppervlakte die wordt vrijgegeven, hoe groter de kans op een ‘toevalsvondst’, waarvoor de gemeente dan financieel verantwoordelijk is (zie ook paragraaf 6.4). Wij hebben de verschillende in paragraaf 5.1 genoemde ondergrenzen in overleg met de werkgroep gekozen om de informatiewaarde van het bodemarchief op een verantwoorde manier veilig te stellen. In de zones met een hoge verwachting is voor een vrijstellingsgrens van 100 m2 gekozen. Deze vrijstellingsgrens schept ruimte voor kleinschalige ontwikkelingen door bijvoorbeeld particulieren, maar waarborgen tevens het veiligstellen of onderzoeken/documenteren van archeologische waarden en informatie wanneer grotere oppervlakten aan de orde zijn. Hiermee sluiten we tevens aan bij het provinciaal beleid. In de zones met een middelhoge verwachting hebben wij gekozen voor een vrijstellingsgrens van 500 m2 om zodoende wat meer ruimte te scheppen voor ontwikkelingen door bijvoorbeeld particulieren, maar tevens het veiligstellen of onderzoeken/documenteren van archeologische waarden en informatie wanneer grotere oppervlakten aan de orde zijn te waarborgen. Hiermee wordt afgeweken van het provinciaal beleid, dat voorschrijft in deze zones een vrijstellingsgrens van 100 m2 aan te houden. In de lage verwachtingszone adviseren wij bij grootschalige ontwikkelingen ( > 10ha) door middel van booronderzoek onderzoek te doen naar bijvoorbeeld de aanwezigheid van pleistocene opduikingen en meandergordels, dit om de verwachtingskaart te kunnen toetsen en te preciseren. Voor niet rijksbeschermde AMK terreinen, uitgezonderd de historische kernen, hebben wij een vrijstellingsgrens van 0 m2 gekozen. AMK-terreinen zijn terreinen waarvan bekend is dat er waardevolle archeologische resten aanwezig zijn. Voor deze terreinen, die zijn aangewezen door de RCE, geldt dat in principe gestreefd moet worden naar duurzaam behoud. Dat betekent dat ingrepen die kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van de archeologische resten dienen te worden voorkomen. Het bijstellen van de ondergrens op AMK-terreinen naar 0 m2 getuigt van een goed rentmeesterschap. Voor de historische kernen hebben we een ondergrens van 30 m2 gekozen omdat, zoals hierboven is beschreven, deze eigenlijk als vindplaats beschouwd moeten worden. De begrenzing van de historische dorpskernen heeft plaatsgevonden aan de hand van historisch kaartmateriaal. De eerste dorpskernen in dit gebied zijn ontstaan in de Middeleeuwen (Strijen 12e eeuw, Cillaarshoek 14e eeuw, Heinenoord en Goudswaard 15e eeuw). In en rond oude dorpskernen is de kans op de aanwezigheid van nederzettingsresten uit de Middeleeuwen groot. De oude kernen kennen over het algemeen een grote dichtheid aan archeologische resten. Projecten in de oude kernen zijn zelden groter dan 100 m2. Om niet teveel archeologische informatie te missen is het gebruikelijk de wettelijke ondergrens op deze locaties naar beneden bij te stellen. De oppervlaktegrens van 30 m2 wordt in dit geval regelmatig aangehouden. Bij ingrepen onder de vrijstellingsgrens moet het overigens ook mogelijk zijn op initiatief van de gemeente archeologische waarnemingen te doen en interessante vondsten te documenteren. Hiertoe zou gebruik kunnen worden gemaakt van de inzet van amateur-archeologen, door afspraken met de Stichting Archeologie Hoeksche Waard. Wel dient de inzet daarvan altijd gesanctioneerd te worden door een gecertificeerd archeoloog. De vrijstellingsgrens voor de diepte van de ingrepen is over het algemeen gesteld op 50 cm. Hiervoor is gekozen omdat uit onderzoek is gebleken dat, als gevolg van mechanisch ploegen sinds halverwege de vorige eeuw, de bovenste 50 cm van de bodem verrommeld is geraakt in deze gebieden, als gevolg van intensieve aardappel en uien ( bolgewassen) landbouw. Slechts daar waar het grondgebruik grotendeels bestaat uit (veen)weidegebied, en waar vindplaatsen al op geringe diepte kunnen voorkomen, is gekozen voor een vrijstellingsgrens van 30 cm beneden maaiveld. Hiermee wordt voor deze gebieden aangesloten bij het provinciaal beleid. Het betreft hier de polders Oudeland van Strijen, Munnikenland en Sint Antony.

Rechtspraak bij dit artikel