Een verantwoord gemeentelijk archeologiebeleid bestaat uit een aantal vaste beleidsinstrumenten die de gemeente in staat stellen de vanuit het rijk opgedragen taken zo efficiënt mogelijk uit te voeren en eventueel de cultuurhistorische identiteit van de gemeente te versterken. De gemeente kan een keuze maken uit de volgende instrumenten:
gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart;
archeologienota;
archeologieverordening;
bestemmingsplanregels en vergunningvoorwaarden voor bouw-, sloop- en aanlegvergunningen;
Deze punten worden hieronder nader toegelicht.
1.Gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart
Deze kaart is richtinggevend bij de ontwikkeling van nieuwe, of het aanpassen van bestaande, ruimtelijke plannen. De archeologische gebieden op deze kaart worden overgenomen in de gemeentelijke structuur- en bestemmingsplannen met de bijbehorende regels.
2.Archeologienota
De Wamz biedt gemeenten beleidsruimte om, binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid, naar eigen behoefte financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de archeologische monumentenzorg op gemeentelijk grondgebied. Het doel van een archeologienota is het ontwikkelen en concretiseren van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid. De gemeente kan daarmee een juiste balans vinden tussen het provinciale en rijksbeleid inzake archeologie en de eigen invulling daarvan. Dat betekent dat de formulering van het archeologiebeleid nauw verweven is met de eigen ruimtelijke ambities en andere voornemens op het gebied van ruimtelijke ordening, infrastructuur, landbouw, cultuur, monumenten en toerisme.
3.Archeologieverordening
Met de herziening van de Monumentenwet is bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Het opnemen van een archeologische paragraaf is voor veel gemeenten niet eenvoudig of snel te realiseren. Een verordening voorziet in een overgangssituatie door het college van Burgemeester en Wethouders de bevoegdheid te geven nadere regels te stellen voor verstorende activiteiten in een archeologisch monument of verwachtingsgebied. Deze nadere regels kunnen dezelfde regels zijn die gaan gelden indien een aanlegvergunning zou worden aangevraagd op grond van een aangepast bestemmingsplan, waarin wel een archeologische paragraaf is opgenomen.
In een archeologieverordening kunnen onder andere de volgende aspecten worden behandeld:
criteria voor de selectie en aanwijzing van archeologische monumenten of planologisch beschermde archeologische gebieden;
de rol van de monumentencommissie bij procedures en vergunningen voor planologisch beschermde archeologische gebieden, bijvoorbeeld in het kader van structuur- en bestemmingsplannen, en bij het afgeven van monumentenvergunningen;
eventuele andere wijzen waarop deskundigheid wordt ingebracht bij de verdere ontwikkeling van het archeologiebeleid, inclusief toezicht en handhaving daarvan;
de inbreng van archeologische waarden in stedenbouwkundige-, structuur- en beeldkwaliteitsplannen, bijvoorbeeld via cultuurhistorische effectrapportages (CHER’s);
de status van de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart;
stimulerings- en subsidiemaatregelen en eventuele noodfondsconstructies voor particulieren;
de wijze waarop eventuele aanvullende maatregelen op het gebied van de archeologische monumentenzorg zijn geregeld, bijvoorbeeld de instelling van een metaaldetectorverbod in archeologische gebieden (via de APV);
de wijze waarop de gemeente regie wenst te voeren over het archeologisch onderzoek dat op gemeentelijk grondgebied wordt uitgevoerd;
een regeling voor schadevergoeding voor initiatiefnemers van bodemverstorende activiteiten.
Er kan overigens ook worden gekozen voor een integrale erfgoedverordening (inclusief Monumentenzorg).
4. Bestemmingsplanvoorschriften en vergunningvoorwaarden voor bouw-, sloop- en aanlegvergunningen
Met de wijziging van de Monumentenwet zijn gemeenten verplicht om in nieuwe of te wijzigen bestemmingsplannen rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Met de invoering van de nieuwe Wro is bovendien het bestemmingsplan ge(her)positioneerd als het centrale instrument binnen de ruimtelijke ordening voor de gemeente. Voor de integratie van de AMZ in de ruimtelijke ordening is de opname van archeologische waarden en verwachtingen in het bestemmingsplan dus een essentiële eerste stap.
Wanneer een bestemmingsplan volgens de herziene Monumentenwet tot stand is gekomen kan de gemeente van de aanvrager van een bouw-, sloop- of aanlegvergunning verlangen dat archeologisch (voor)onderzoek wordt uitgevoerd. De gemeente kan richtlijnen geven voor de wijze waarop dat onderzoek wordt uitgevoerd. De kosten voor het onderzoek komen voor rekening van de initiatiefnemer van het betreffende plan (dat kan ook de gemeente zelf zijn).
De archeologisch waardevolle gebieden en bijbehorende regimes die op de archeologische beleidsadvieskaart zijn weergegeven kunnen direct vertaald worden naar de kaarten en voorschriften van nieuwe bestemmingsplannen40Hieronder vallen in voorkomende gevallen ook beheersverordeningen o.g.v. de Wro.. Bij het opstellen of wijzigen van consoliderende bestemmingsplannen zal dit doorgaans voldoende zijn.
Voor elk bestemmingsplan41Hieronder zijn mede begrepen projectbesluiten als bedoeld in de Wro. dat is gericht op ruimtelijke ontwikkelingen is aanpak van de archeologische waarden door middel van archeologisch (voor)onderzoek in een zo vroeg mogelijk stadium vereist42Bovendien is de gemeente op grond van het Bro (artikelen 3.1.6 en 5.1.3) verplicht om, in gevallen waarbij geen MER wordt opgesteld, in de toelichting bij het bestemmingsplan, een projectbesluit, of een besluit tot buiten toepassing verklaring van een beheersverordening (ex art. 3.40 Wro) een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden rekening is gehouden.. Zo kunnen gedetailleerde gegevens over de ontwikkelingslocatie worden verzameld op basis waarvan archeologische belangen door de gemeente zorgvuldig kunnen worden afgewogen.
Om te zorgen dat in gebieden waar oude bestemmingsplannen gelden de archeologische belangen ook worden meegewogen, kan een facetbestemmingsplan archeologie worden opgesteld.
Systematiek in bestemmingsplannen
In de toelichting van het betreffende bestemmingsplan zal worden ingegaan op het gemeentelijk archeologiebeleid. Hiermee wordt de onderbouwing van de gebiedsaanduiding ‘archeologische waarde’ gegeven. Op de plankaart worden met een aanduiding de vlakken aangegeven die archeologisch waardevol zijn. In de voorschriften van het bestemmingsplan worden de relevante begrippen gedefinieerd en de archeologiegebieden daadwerkelijk beschermd door archeologische voorwaarden te stellen bij ruimtelijke ingrepen. Zodoende wordt in het bestemmingsplan bepaald dat bij de afgifte van reguliere bouwvergunningen en aanlegvergunningen archeologische voorwaarden kunnen worden gesteld.
De aanvrager van een vergunning, ontheffing of vrijstelling kan worden verplicht een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het plangebied in voldoende mate is vastgesteld.43Dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders c.q. de gemeenteraad. Op basis van een dergelijk rapport kan worden besloten tot het verlenen van de vergunning zonder verdere voorwaarden of tot het opleggen van verdere verplichtingen in het kader van behoud of onderzoek van archeologische waarden.
Aanvullend op het vastleggen van de archeologische bescherming in het bestemmingsplan kunnen op basis van de Monumentenwet 1988 (artikelen 37 en 41) aan een sloopvergunning (alleen binnen beschermd stadsgezicht) of aan een vrijstelling of ontheffing op het bestemmingsplan archeologische voorschriften worden verbonden.
De voorschriften kunnen ertoe leiden dat de aanvrager van een vergunning, een vrijstellingsbesluit, of een ontheffing kan worden verplicht een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders c.q. de gemeenteraad in voldoende mate is vastgesteld. Op basis van een dergelijk rapport kunnen besluiten worden genomen over verdere verplichtingen ten aanzien van behoud of onderzoek van archeologische waarden. Indien behoud niet te realiseren is kan de gemeente de vergunning verlenen, onder de voorwaarde dat de aanvrager de archeologische waarden laat opgraven en uitwerken.
Na iedere fase van archeologisch onderzoek kan de vergunning, vrijstelling of ontheffing worden verleend, mits de archeologische waarde van het terrein in de betreffende fase voldoende is vastgesteld. Voorschriften omtrent het gebruik van de gronden zullen door de gemeente in overeenstemming met de Wro worden vastgesteld.
Niet alleen bij bodemverstorende activiteiten, maar ook wijziging van het waterpeil kunnen archeologische belangen in het geding zijn. Indien peilwijzigingen worden voorgesteld, zal rekening moeten worden gehouden met de aanwezige of verwachte archeologische waarden.
Aanlegvergunning
Ter bescherming van (verwachte) archeologische waarden in het gebied met de aanduiding ‘Archeologische waarde’ moet in de voorschriften van het bestemmingsplan een aanlegvergunningvereiste worden opgenomen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde.
of werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor de (verwachte) archeologische waarden.
Bouwvergunning
Een rapport inzake de archeologische waarde van de locatie wordt toegevoegd aan de indieningsvereisten bij de aanvraag voor een bouwvergunning. Hiertoe wordt via het Bamz het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning gewijzigd, hetgeen leidt tot de volgende procedure.
Als het bestemmingsplan een archeologisch onderzoeksrapport voorschrijft, dan dient de aanvrager van een bouwvergunning bij de aanvraag van een ‘reguliere vergunning’ of en ‘reguliere vergunning eerste fase’ een dergelijk rapport bij de aanvraag voor een bouwvergunning mee te leveren. Of een rapport (onderzoek) echt noodzakelijk is kan via een quick scan door de gemeentelijk archeoloog worden bepaald. Voor een efficiënte beoordeling kan de gemeentelijk archeoloog aanschuiven bij het bouwplanoverleg.
Als het rapport niet voldoet aan de inhoudelijke voorschriften die hiervoor gelden kan de gemeente, conform de standaardprocedure bij de ontvankelijkheidstoets, binnen vier weken om aanvullende gegevens vragen. De aanvrager heeft vervolgens tot maximaal vier weken de tijd om de aanvullende gegevens aan te leveren. Doet de aanvrager dit niet, of is de aanvulling onvoldoende, dan kan de gemeente besluiten de aanvraag verder buiten behandeling te laten.
Namens burgemeester en wethouders kan de gemeentelijk archeoloog het rapport beoordelen en kan een afweging ten aanzien van het bouwplan gemaakt worden.
Bovenstaande geldt slechts voor reguliere bouwvergunningplichtige werken. Verder kan in de voorschriften een bouwverbod met binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid worden op genomen voor nieuwe ontwikkelingen.
Ontheffingen artikelen 3.6.1.c, 3.22 en 3.23 Wro of een projectbesluit artikel 3.10 Wro
Als voor het verlenen van een bouwvergunning een ontheffing van het bestemmingsplan nodig is, geldt de aanvraag van een bouwvergunning tevens als aanvraag van ontheffing van de voorschriften van het bestemmingsplan. De Monumentenwet 1988 bepaalt dat bij een aanvraag om ontheffing van het bestemmingsplan een archeologisch onderzoeksrapport gevraagd kan worden. De noodzaak hiervoor zal per aanvraag bekeken moeten worden. De oppervlaktebepalingen behorend bij de archeologische beleidsadvieskaart zijn hierbij van toepassing. Aan de ontheffing zelf kunnen voorwaarden verbonden worden ter bescherming van archeologische waarden.
Voor bodemverstorende activiteiten in het kader van artikel 3.6.1.c Wro gelden dezelfde gebiedscriteria als bij de reguliere bouwaanvragen. Voor bodemverstorende activiteiten in het kader van artikel 3.6.1.c Wro die vergelijkbaar zijn in oppervlakte met licht-vergunningplichtige zaken zal geen rapport verplicht worden gesteld.
Voor bodemverstorende activiteiten in het kader van artikel 3.22 Wro is bepaald dat bij een aanvraag om ontheffing van het bestemmingsplan een archeologisch onderzoeksrapport gevraagd kan worden. De noodzaak hiervoor zal per aanvraag bekeken moeten worden. De oppervlaktebepalingen behorend bij de archeologische beleidsadvieskaart zijn hierbij van toepassing.
Voor bodemverstorende activiteiten in het kader van artikelen 3.10 en 3.23 Wro is bepaald dat bij een aanvraag om ontheffing van het bestemmingsplan een archeologische onderzoeksrapport gevraagd kan worden. De noodzaak hiervoor zal per aanvraag bekeken moeten worden. De oppervlaktebepalingen behorend bij de archeologische beleidsadvieskaart zijn hierbij van toepassing.
Sloopvergunning
Artikel 37 van de Monumentenwet 1988 bepaalt dat bij de aanvraag van een sloopvergunning binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht een archeologisch onderzoeksrapport geëist kan worden. De oppervlaktebepaling van artikel 41a Monumentenwet 1988 is hier niet van toepassing. Logischerwijze zijn de oppervlaktebepalingen behorend bij de archeologische beleidsadvieskaart daardoor ook niet van toepassing voor sloopaanvragen binnen het beschermd stadsgezicht.
Dit betekent dat bij iedere sloopaanvraag binnen het beschermd stadsgezicht, ongeacht de grootte van het werk, een archeologisch onderzoeksrapport gevraagd kan worden. Aan de sloopvergunning kunnen vervolgens voorwaarden gesteld worden over de wijze van slopen. Om dit goed te regelen kan de bouwverordening worden aangepast.
Wijzigingsbevoegdheid
Met behulp van de wijzigingsbevoegdheid (artikel 3.6 Wro) kunnen burgemeester en wethouders een soepele aanpassing van bestemmingsplannen aan zich wijzigende omstandigheden mogelijk maken, zonder dat de waarborgen van belanghebbenden al te zeer in gevaar komen. Uit archeologisch onderzoek kan blijken dat aanpassing van de ondergrens voor de archeologische onderzoeksplicht en/of de begrenzing van een archeologiegebied wenselijk is. Met een wijzigingsbevoegdheid kan dat mogelijk worden gemaakt. Ook de bestemming ‘Archeologisch waardevol gebied’ kan met deze bevoegdheid worden verwijderd.