De Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) maakt het mogelijk dat schuldeisers verplicht kunnen worden mee te werken aan een schuldsanering. Voor de schuldenaar betekent dit dat een surplus in het inkomen voor het saneringsplan wordt gebruikt. Bij de berekening van de draagkracht in het kader van de bijzondere bijstand kan alleen maar rekening worden gehouden met het inkomen waarover een belanghebbende daadwerkelijk, dan wel redelijkerwijs, kan beschikken. De CRvB neemt hierbij als uitgangspunt dat dit slechts de middelen betreft die op de voet van artikel 295, tweede lid, FW buiten de boedel worden gelaten. Dit (lagere) inkomen dient dan ook in de beoordeling van de aanwezige draagkracht te worden betrokken.
De CRvB heeft in gelijke zin geoordeeld met betrekking tot een gelegd executoriaal beslag op het inkomen van een belanghebbende waardoor de belanghebbende terzake van dat (deel van het) inkomen geen feitelijke bestedingsmogelijkheid heeft, noch beschikkingsbevoegd is, noch een mogelijkheid heeft om het hem uit te laten betalen. Dit is anders wanneer het beslag zijn oorzaak vindt in een ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (zie ECLI:NL:CRVB:2009:BH4082).
Wanneer een belanghebbende is toegelaten tot de gemeentelijke schuldhulpverlening en in het kader van het minnelijke traject een schuldregeling heeft afgesloten met zijn schuldeisers, kan belanghebbende feitelijk ook niet beschikken over zijn volledige inkomen. Belanghebbende heeft zich dan namelijk op grond van de schuldregelingsovereenkomst verplicht om het inkomen boven het vrij te laten bedrag te storten op een aangewezen rekening. In deze situaties wordt aansluiting gezocht bij de berekening van de draagkracht van een belanghebbende in de WSNP.
Het voorgaande neemt niet weg dat in voorkomende gevallen aan belanghebbende de verplichting kan worden opgelegd om de bewindvoerder te verzoeken of bij de berekening van het vrij te laten bedrag rekening kan worden gehouden met bijzondere noodzakelijke kosten, zodat in het inkomen ruimte ontstaat om die kosten te voldoen (ECLI:NL:RBROE:2008:BH5270 en ECLI:NL:CRVB:2011:BP0483). Een dergelijke verplichting wordt opgelegd indien het periodieke bijzondere bijstand betreft en de financiële draagkracht, indien geen rekening wordt gehouden met de toepassing van de WSNP, voldoende zou zijn om de kosten te bestrijden. Dit geldt eveneens indien sprake is van een minnelijke regeling.
Artikel 3.5