Deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en het aangaan en onderhouden van sociale contacten, brengt met zich mee dat iemand zich in de directe woon-leefomgeving moet kunnen verplaatsen. Dit kan met behulp van een vervoersvoorziening.
Ondersteuning middels een vervoersvoorziening is erop gericht langdurige beperkingen bij dit verplaatsen te compenseren. Het gaat in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn of haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken en vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen.
Het bezit van een eigen auto betekent niet zonder meer dat cliënt zelfredzaam is. Het college moet het onderzoek naar de vervoersbehoefte en relevante feiten en omstandigheden alsnog doen en daarbij in aanmerking nemen dat het CVV voor de korte afstand voor cliënt niet adequaat is. Er wordt daarbij ook onderzocht in hoeverre een inwoner zelf in de vervoersbehoefte kan voorzien, hulp kan inschakelen van het eigen netwerk of gebruik kan maken van een algemene voorziening.
Om te bepalen of een vervoersvoorziening voor de cliënt toegankelijk en passend is, worden, naast het Algemene toetsings- en afwegingskader, de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:
aard van de beperking: de cliënt heeft als gevolg van zijn beperking belemmeringen in het zich zelfstandig buitenshuis verplaatsen op korte en/of langere afstanden.
vervoersbehoefte: de cliënt heeft ten behoeve van zijn zelfredzaamheid en participatie een zelfstandige vervoersbehoefte voor korte en/of langere afstand en kan hiervoor vanwege zijn beperking geen of in beperkte mate gebruik maken van algemene (gebruikelijke) voorzieningen, zoals een (elektrische)fiets, brommer of scooter, auto en/of het openbaar vervoer.
De gebruikskosten van een eigen auto zijn in beginsel algemeen gebruikelijk, mits ze financieel gedragen kunnen worden met een inkomen op minimumniveau. Vervoer met eigen auto of vervoer door derden uit sociaal netwerk kan echter de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening zijn als de cliënt de auto ook voor de korte afstand moet gebruiken of gebruikt. Daarom kan er hiervoor wel een Pgb worden geboden. Dit noemen we Pgb eigen vervoer of door derden uit het sociaal netwerk.
Vervoersbehoefte kinderen:
Uitgangspunt is dat volwassenen en kinderen vanaf 12 jaar een zelfstandige vervoersbehoefte hebben.
Kinderen jonger dan 5 jaar hebben geen zelfstandige vervoersbehoefte, omdat de ouders hen kunnen meenemen zonder dat een voorziening hoeft te worden getroffen.
Kinderen van 5 tot en met 11 jaar hebben in beginsel ook geen zelfstandige vervoersbehoefte, zij worden bij het zich verplaatsen bijna steeds begeleid door de ouders.
vorm van de vervoersvoorziening: op basis van de vervoersbehoefte en de aard van de beperking van de cliënt wordt bepaald welke voorziening of welke combinatie van voorzieningen het meest passend is.
We kennen de volgende vervoersvoorzieningen:
bijzondere fiets: een bijzondere fiets is een aan de beperking van de cliënt aangepaste fiets. Fietsen die algemeen verkrijgbaar zijn worden als algemeen gebruikelijke voorziening beschouwd. Daarmee worden in elk geval de volgende fietsen als algemeen gebruikelijke voorziening beschouwd: fiets met lage instap, ligfiets, spartamet, elektrische fiets, tandem, bakfiets, fietskar en aanhangfiets. Deze opsomming is niet limitatief. Zie ook het artikel 1 – Begrippen en artikel 6 Algemeen toetsings- en wegingskader lid 10 over algemeen gebruikelijk.
scootmobiel: een scootmobiel is een vervoersvoorziening die voorziet in een vervoersbehoefte in de directe omgeving van de eigen woning, voor activiteiten als boodschappen doen, bezoek aan personen uit het sociaal netwerk of het meedoen aan maatschappelijke activiteiten.
Deze vervoersvoorziening kan indien nodig gecombineerd worden met collectief lokaal vervoer.
Om te bepalen of een scootmobiel voor de cliënt een passende voorziening is en welke scootmobiel passend is, worden de volgende aspecten gewogen:
Is er sprake van een langdurige blijvende loopbeperking, met een maximale loopafstand van minder dan 500 meter, waardoor voor vrijwel iedere verplaatsing buitenshuis een vervoersvoorziening noodzakelijk is.
Is het fysiek mogelijk om gebruik te maken van een andere vervoersvoorziening voor korte afstand, zoals een (elektrische) fiets of spartamet, scooter of bromfiets, het OV, rollator, stok etc. De kosten voor de aanschaf en het gebruik van deze voorzieningen zijn algemeen gebruikelijk.
Kan de cliënt zonder begeleider zelf zijn bestemming bepalen en vinden.
Is de cliënt bestand tegen de weersinvloeden gedurende het jaar.
Er wordt geen schootskleed verstrekt.
Kan de cliënt in- en uitstappen en heeft de cliënt een goede zitbalans.
Kan de cliënt de scootmobiel veilig bedienen en besturen.
Wat is de goedkoopst adequate voorziening.
Afhankelijk van de vervoersbehoefte en de beperking van de cliënt wordt beoordeeld wat de goedkoopst adequate scootmobiel is en daarmee ook welke maximum snelheid en actieradius volstaat.
Indien de cliënt een duurdere scootmobiel wenst, betaalt de cliënt het meerdere zelf.
Is er een mogelijkheid om een scootmobiel overdekt te kunnen stallen met laadmogelijkheid of is deze te realiseren.
De kosten van de voorziening.
De kosten van service, verzekering, onderhoud en reparatie maken onderdeel uit van de verstrekking van de voorziening, tenzij de schade als gevolg van verwijtbaar gedrag of nalatigheid is ontstaan. De kosten voor de reparatie van de voorziening als gevolg van verwijtbaar gedrag of nalatigheid zijn voor rekening van de cliënt zelf. De kosten van het opladen van een scootmobiel worden beschouwd als algemeen gebruikelijke kosten en zijn voor rekening van de cliënt zelf.
Als er zich buiten het bereik van de scootmobiel een vervoersprobleem voordoet, dan kan deze gecombineerd worden met CVV (collectief vervoer).
collectief vraagafhankelijk vervoer: CVV is een vervoersvoorziening die voorziet in een vervoersbehoefte voor korte of langere afstanden. Indien de cliënt een indicatie heeft kan de cliënt een vervoerspas voor het collectief lokaal vervoer krijgen, waarmee tegen een lager tarief kan worden gereisd. Zonder indicatie kan de cliënt ook van het collectief lokaal vervoer gebruik van maken, maar is dan het marktconform tarief verschuldigd.
Om te bepalen of het CVV vervoer voor de cliënt de aangewezen passende voorziening is, worden de volgende aspecten gewogen:
voorwaarden:
Een cliënt komt alleen in aanmerking voor een indicatie CVV indien de cliënt vanwege zijn beperking:
niet in staat is om gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals een (elektrische)fiets, spartamet, brommer of scooter, ongeacht of de cliënt deze al in eigendom heeft én
niet in staat is om (met begeleiding) gebruik te maken van het openbaar vervoer én
niet in staat is om lopend of met een verplaatsingsmiddel de dichtstbijzijnde bushalte van vertrek of aankomst te bereiken en/of de wachttijd voor het instappen te overbruggen en/of zelfstandig in en uit te stappen omdat de cliënt is aangewezen op een niet aangepaste bushalte/bus én
een andere vervoersvoorziening onvoldoende toereikend is voor de vervoersbehoefte van de cliënt.
vervoersgebied: Het vervoersgebied is maximaal 25 kilometer vanuit het woonadres, berekend conform het taxi-systeem
Indien het CVV de vervoersbehoefte onvoldoende compenseert, zal beoordeeld worden of naast of in plaats van deze voorziening een andere voorziening verstrekt moet worden.
Het verstrekken van een indicatie voor CVV vervoer buiten het vervoersgebied gebeurt slechts wanneer een cliënt een belangrijk contact net buiten het vervoersgebied heeft dat noodzakelijk is om vereenzaming te voorkomen.
Indien de cliënt zonder indicatie reist buiten het vervoersgebied betaalt de cliënt hiervoor het marktconform tarief.
Voor vervoer buiten het vervoersgebied kan de cliënt gebruik maken van Valys (landelijke vervoersaanbieder).
omvang: De omvang (vervoersbundel) voor het CVV vervoer wordt op maat, in de vorm van een vervoersbundel, vastgesteld op basis van de aard van de beperking, de vervoersbehoefte en het gebruik van andere vervoersvoorzieningen, met in principe een maximum van 1500 kilometer per jaar;
Indien een cliënt meerdere vervoersvoorzieningen heeft, dan is dit van invloed op de omvang van de vervoersbundel voor het CVV.
Indien een cliënt ook een scootmobiel als vervoersvoorziening verstrekt krijgt, is de omvang van het collectief vervoer in principe maximaal 750 kilometer.
Indien een cliënt ook een fiets gebruikt, is de omvang van het collectief vervoer in principe maximaal 750 kilometer.
Indien een cliënt in een Wlz instelling woont, is de omvang van het CVV in principe maximaal 750 kilometer.
aanvullende indicaties bij collectief vervoer: mede afhankelijk van de aard van de beperking kan een extra aanvullende indicatie verstrekt worden. Dit zijn:
Specifieke taxi voor vervoer met rolstoel.
Als een cliënt rolstoelafhankelijk is dan kan er een aanvullende indicatie verstrekt worden voor een specifieke rolstoeltaxi. Hierbij is het van belang dat de cliënt niet meer zelfstandig in staat is om transfers te maken.
Specifieke taxi voor vervoer met scootmobiel.
Als het voor een cliënt medisch noodzakelijk is dat hij/zij samen met haar scootmobiel vervoerd dient te worden, dan kan een aanvullende indicatie verstrekt worden. Het is van belang dat een cliënt zelfstandig transfers kan maken.
Begeleider op (medische) indicatie.
Een indicatie voor ‘een begeleider op (medische) indicatie’ kan worden afgegeven indien een begeleider noodzakelijk is om mogelijke gevaarlijke situaties voor de cliënt, de chauffeur of overige passagiers tijdens de rit te voorkomen. De begeleider op (medische) indicatie reist gratis mee op een ‘vervoerspas met begeleiding’. Zonder (medische) indicatie kan een begeleider ook gebruik maken van het vervoerssysteem, maar dan is een bijdrage per rit verschuldigd.
Plaats voorin.
Het is van belang dat de cliënt door zijn beperking niet op een andere plek dan voorin in het voortuig vervoerd kan worden.
Een blindengeleidehond of hulphond.
De beperking van een cliënt wordt gecompenseerd door een hulphond. De hulphond dient bij de indicatie meegenomen te worden zodat de cliënt samen met zijn/haar hulphond gebruik kan maken van een vervoersvoorziening. De hulphond mag gratis mee.
Meereizende kinderen.
Een Wmo taxipashouder mag maximaal 2 kinderen t/m de leeftijd van 12 jaar gratis meenemen tijdens de taxirit.
autoaanpassing: Indien de cliënt aangewezen is op een eigen auto als vervoersmiddel én er als gevolg van de beperking van de cliënt een autoaanpassing naar het oordeel van de gemeente noodzakelijk is, kan deze als voorziening verstrekt worden. Een autoaanpassing wordt niet preventief verstrekt.
Om te bepalen of de cliënt in aanmerking komt voor een autoaanpassing, worden de volgende aspecten gewogen:
Er wordt gekeken naar de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt.
Een andere vervoersvoorziening biedt geen passende oplossing. (algemeen gebruikelijke voorziening of een maatwerkvoorziening als een bijzondere fiets, scootmobiel of het CVV).
De cliënt of ouder/verzorger van een jeugdige waar de autoaanpassing voor bestemd is, is eigenaar en/of bestuurder van de auto.
Er is sprake van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden.
Een autoaanpassing is de goedkoopst adequate oplossing.
De te maken kosten van de autoaanpassing staan in redelijke verhouding tot het gebruik, de geldigheidsduur van het rijbewijs, de verwachte levensduur en technische staat van de auto. Indien een auto ouder is dan acht jaar en er meer dan 75.000 kilometer mee is gereden, is een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is.
Algemeen gebruikelijke autoaanpassingen: Een aantal autoaanpassingen zijn algemeen gebruikelijk, zoals stuurbekrachtiging, rembekrachtiging, automatische versnelling, een auto met hoge instap, een (verstelbare) autostoel met een goed zitcomfort en/of zithouding, bredere pedalen. Van de cliënt wordt verwacht dat bij de aanschaf van een auto rekening is gehouden met de op dat moment aanwezige of voorzienbare beperkingen en daarbij voldoende aandacht is besteed aan de genoemde algemeen gebruikelijke mogelijkheden.
De afstand van het vervoer. De gemeente heeft een compensatieplicht voor een afstand conform het CVV (25 km vanaf de woning). Indien de cliënt als gevolg van zijn beperking pas klachten krijgt na het rijden van langere afstanden, wordt hiervoor geen voorziening verstrekt.
andere voorzieningen: Indien een vervoersvoorziening (bijzondere fiets, scootmobiel, taxivervoer of autoaanpassing) nodig is om werk goed te kunnen doen of onderwijs te kunnen volgen, dan dient deze voorziening bij het UWV te worden aangevraagd.
Indien begeleiding bij het openbaar vervoer noodzakelijk is, kan de landelijke OV-begeleiderskaart aangevraagd worden.
Indien vervoer noodzakelijk is voor medische ritten (van en naar ziekenhuis, zorgverlener, instelling), kan vervoer onder de Zvw vallen en dient het vervoer bij de zorgverzekeraar aangevraagd te worden.
Indien een loopfiets noodzakelijk is kan deze via de Zvw aangevraagd worden.
Indien vervoer van en naar begeleiding groep noodzakelijk is, valt het vervoer onder de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder.
Heeft de cliënt een indicatie vanuit de Wlz dan valt al het vervoer van en naar begeleiding of behandeling onder de Wlz. CVV vanuit de Wmo kan dan alleen geïndiceerd worden voor sociaal vervoer.
Voor vervoer van en naar het werk voor mensen met een beperking kan gebruik gemaakt worden van reiskostenvergoeding via de werkgever dan wel van een regeling via het UWV.
HOOFDSTUK 5
Artikel 24
Vervoersvoorziening
Onderdeel van Beleidsregels Wmo gemeente Smallingerland 2022